Skip to main content

Full text of "De waarde der Syrische Evangeliën, door Cureton ontdekt en uitgegeven"

See other formats


This is a reproduction of a library book that was digitized 
by Google as part of an ongoing effort to preserve the 
information in books and make it universally accessible. 


Google books 

https://books.google.com 






Google 


Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 


Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe¬ 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het “watermerk” van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 


Informatie over Zoeken naar boeken met Google 


Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via http : //books . google . com 









Digitized by t^ooQle 



Digitized by 


Google 



DE WAARDE DER SYRISCHE EVANGELIËN, 

DOOR CURETON 
ONTDEKT EN UITGEGEVEN. 


Digitized by U.ooQLe 




Digitized by v^ooQle 




DOOR CURETON 

ONTDEKT EN UITGEGEVEN. 


ACADEMISCH PROEFSCHRIFT, 

TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN 

DOCTOR IN DE GODGELEERDHEID, 

AAN DE RIJKSUNIVERSITEIT TE LEIDEN, 

OP GEZAG VAN DEN RECTOR-MAGNIFICUS 

m T. ZAAYER, 

HOOGLEERAAR IN DE FACULTEIT DER GENEESKUNDE, 

IN HET OPENBAAR TE VERDEDIGEN, 
op Dinsdag den 14 den December 1880, 

de» namiddags te 8 uren, 

DOOR 

OBÏIRIT WILDËBOBR, 

GEBOREN TE AMSTERDAM, 

Beroepen predikant te Hcilo. 


LEIDEN, E. J. BRILL. 

1880. 


Digitized by AaOOQle 



HOEK DRUKKERIJ VAN E. J. BRILL TE LEIDEN. 


Digitized by v^ooQle 



AAN MIJNE OUDERS. 


Digitized by v^ooQle 



Digitized by 


INHOUD, 


Bladz. 

Inl eiding .1 

I. De Syrische Evangeliën van Cureton in hunne afwij¬ 
kingen van den gewonen tekst der Peshittho 

§ 1. Afwijkingen, die bloot schrijffouten zijn.16 

§ 2. Linguïstische varianten.18 

§ 3. Exegetische varianten .22 

§ 4. Toevoegsels.24 

§ 5. Weglatingen.29 

§ 6. Dogmatische veranderingen . . . . ,.31 

§ 7. Afwijkingen in de aanhalingen uit het 0. T. ... 33 

§ 8. Verwantschap met Grieksche handschriften en andere 

vertalingen. % 36 

§ 9. Willekeurige afwijkingen.41 

II. De waarde dier Evangeliën voor de vaststelling van 

den tekst der Peshittho . .. 47 

Aanhangsel I. Het opschrift boven het Evangelie van Matthaeus 

bjj Cureton.57 

» II. De aanhalingen uit de evangeliën bij Aphraates . 61 

» m. De vermelding van Cureton’s lezingen in Tischen- 

dorf’s uitgave des N. T.65 

Litteratuur.69 

Stellingen. 73 


Digitized by <^.ooQLe 


















Digitized by 


Google 


J 



INLEIDING. 


De meest verspreide en bekende Syrische bijbelvertaling 
draagt sints eeuwen den naam van Peshittho. Velen mee¬ 
nen, dat die naam reeds bij Jakob van Edessa (+710) 
zou voorkomen. Men gaat dan verder tot Ephraëm Syrus 
(+ B78) terug, en waar hij spreekt van ') d.i. „onze 

vertaling” (letterlijk „onze uitgave”), neemt men aan, dat 
dit wel dezelfde overzetting zal zijn als waarop de lateren 
’t oog hebben. Daarbij komt, dat de Kerkvaders her¬ 
haalde malen spreken van ó 'Zvpoc 2 ). Dit wordt dan 
weder gelijkgesteld met de uitdrukking van 

Ephraïm. Vervolgens wordt ’t ontbreken van den 2 en 
Petrus’brief, van den 2 en en 3 en van Johannes, van Ju¬ 
das en de Apokalypse als bewijs voor de oudheid aan¬ 
gehaald. Ten laatste voert inen aan, dat Ephraëm de 
Syriër in zijne scholiën herhaalde malen verouderde 
woorden moet verklaren, en hiermede meent men dan 
bewezen te hebben, dat „de Peshittho” moet zijn ge¬ 
schreven vóór het einde der 2 e eeuw. 


1) B. v. Opp. I, 380, ad I Sam. 24:4: Kliax. 


. K’tsop^ 


Ab&SQJ ,03 


2) Zie Prolegomena in Hexapla Origenis door Field, 1875 pag. LXXVII, 
waar op grond van vele varianten gezegd, wordt dat 6 zCpot met de Pes- 
hitto niets gemeen beeft. Voorts wordt gewezen op een letterlijke over¬ 
eenkomst met Hieronymus. 


1 


Digitized by AaOOQle 



2 


Wat van dit alles waar is of niet, zal door den 
inhoud van dit boekske eenigszins worden toegelicht. 
Vooraf dient echter opgemerkt te worden, dat het niet 
te bewijzen is, dat de naam „Peshittho” bij 

Jaeobus Edessenus reeds zou voorkomen. Men meende 
dit op grond van eene afkorting, voorkomende in het 
Bijbelsch Correctorium van Jacob van Edessa. Bij Bom. 
VII : 8 (ètooo K&i&usa) merkt hij aan: ,co k&uso c^, 
’t geen de schrijvers van den Catalogus van ’t Britsch 
Museum, Bosen en Forshall, te Londen, 1838 uitge¬ 
geven, dus gelieven te vertalen: „[versio] simplex [ha- 
bet] >cn alsof eene verkorting van 

wezen kon. Uit de aanteekening echter op Bom. VILL: 18 
blijkt, dat met die afkorting niet , maar 

(S [txKxp , beatus) bedoeld wordt, waarmêe men waar¬ 
schijnlijk op den vertaler, in allen gevalle op een per¬ 
soon het oog heeft ')• Wanneer vervolgens Ephraëm 
van („onze vertaling”) spreekt, dan stelt hij 

die óf tegenover K&iuK' rc&cusolxso („andere overleve¬ 
ring of vertaling”) óf tegenover rdii*»»* t^ui^ („andere 
codex”) óf tegenover rdi». of r^icu („Hebreeuwsch of 
Grieksch”). Uit het gebruik van deze uitdrukking kan 
men dus niet besluiten tot het bestaan eener vaststaande 
vertaling des bijbels bij de Syriërs. Het zou ook mo¬ 
gelijk zijn dat hij met het woord ._wilde 

te kennen geven: de vertaling, die ik voor mij heb 
liggen, of: die in onze streek in gebruik is. Met veel 
minder recht nog kan men beweren, dat die vertaling 
„de Peshittho” zou zijn. Wat eindelijk de Kerkvaders 
met ó zó pos of Syrus bedoeld hebben moge nog niet be- 

1) Zie Godgeleerde Bijdragen, 1862, bi. 479, waar een opstel van 
Dr. J. P. N. Land voorkomt. 


Digitized by 


Google 



3 


slist zijn') — met de lezing van de Peshittho heeft hij 
niets gemeen en moet dus buiten rekening blijven. 

Slechts kan men met zekerheid dit beweren, dat 
de naam Peshittho het eerst voorkomt bij Gregorius 
Barhebraeus (+ 1286). Men zal dus, om èn aan¬ 
gaande den naam èn omtrent de zaak zekerheid te 
erlangen tot hem moeten gaan. In de inleiding van 
zijn verhaalt hij hieromtrent veel 

belangrijks 2 ). 

De vertaling van deze pericope vermeld ik hier eerst, 
om haar straks te bespreken. Barhebraeus gaat een 
commentaar schrijven op den bijbel. Hij begint met 
een d. i. proöemium („een voorrede”) en dan, 

sprekende over de vertaling, die hij gebruikt, zegt hij: 
„Deze eenvoudige vertaling t °> k’.ico r^vo_aso) 

welke, zooals Eusebius van Caesarea zegt, Origenes bij een 
zekere weduwe gevonden heeft, dat is die, welke in de 
handen der Syriërs is in elke plaats”. Eenige regels 
verder vervolgt hij: „Over deze Syrische [vertaling] nu 


1) Dat deze benaming geen eigennaam is, blijkt b. v. uit Ambrosius 
ad vocem DDITID I, c. 8 »denique Syrus, qui Hebraeo vicinus est” enz., 
Volgens Perles, Meletemata Peshitthoniana pag. 3. Ook uit Melito van Sar- 
de8, die in zjjne scholiën op Gen. 22 : 13 6 st/po; kcu ó 'Eppcuos vermeldt (Perles 
pag. 3.) Ook spreekt Hieronymus (in epitaphio Paulae ad Eustochium 
ep. 27) van »Hebraico, Graeco, Latino, Syroque sermone’* en neemt dus 
»Syrus” even als »Syriacus , \ niet als eigen zelfstandig naamw., maar als 
bjjv. naamw. (Perles pag. 3). Syrisch kan ook (Joodscb-)Arameesch zpn. 

2) Het bericht over de Peshittho kan men vinden in Assemani, Bi- 

bliotheca Orientalis II, pag. 279. Het bericht over de Philoxeniaansehe 
en Charklensische overzetting vindt men aldaar II, pag. 23, doch zóó 
dat Assemani daar een conjectuur maakt, omdat ’t onderscheid tusschen 
Philoxeniana en Charklensis uit ’t oog verloren is. Evenwel is hiervan 
eene betere lezing gegeven door Bernstein in zpn >de Charklensi N. Test. 
Translatione Syriaca commentatio”, Vratislaviae 1837 en door Larsow in 
zpne uitgave van de in 1858 te Leipzig uitgegeven, 

doch niet voltooid. 


Digitized by v^ooQle 



4 


bestaan drie meeningen: de eerste is, dat ze ten tjjde 
van Salomo en Koning Hiram uitgegeven 
[„of vertaald”] is; de tweede, dat Asa de priester — 
toen de Assyriër hem naar Samaria zond — haar heeft 
overgezet; de derde, dat ze in de dagen van Addai den 
apostel en Abgar, den Koning van Edessa, is vertaald, 
in welken tijd men ook het Nieuwe Testament op die¬ 
zelfde eenvoudige wijze heeft vertaald.” 

Wat de zaken betreft, ons hier medegedeeld, behoeft 
zeker niet bewezen te worden, dat de eerstgenoemde 
meening niet slechts onmogelijk is maar enkel vrucht is 
der fantasie, die de vermelding van den Koning van Tyrus 
in het O. T. gretig in verband bracht met de zorg voor 
godsdienstige belangen. Ook Asa de priester kan althans 
niet de vertaler van het geheele 0. T. zijn en de open 
kwestie over de onderlinge verhouding van Peshittho, 
LXX en Hebr. tekst laat hier speelruimte voor allerlei 
K&cu‘i.aon•»! (meeningen, zooals Barhebraeus ze zelf 
noemt) die niet veel historische waarde bezitten. Het 
derde bericht heeft ’t meest den schijn van waarheid; doch 
de groote vraag is hier: Wie was Addaeus')? Wichel- 


1) Cureton, Ancient Syriac Documents (London, 1864) en volledig uitge¬ 
geven door Phillips, The Doctrine of Addai (London 1876.) In ’t eerste stuk, 
een Syrische vertaling van Eusebius’ Kerkgeschiedenis heet hjj Thaddaeus 
(•»*). een der 70 discipelen, door Thomas tot Koning Abgar gezonden. 
In de andere stukken wordt hp Addai (»21fV) genoemd. *2in^ Addai is 
een Macedonische naam ’A irifoe = ’A ïMoe, volgens Hesych. = 

» overvloedig”. 

Over de verwarring van Addaeus met Thaddaeus, twee namen die niets 
met elkaar gemeen hebben, zie een opstel van B. H. C.[owper] Syriac 
Literature. The acts of Addi; in The Journal of Sacred Literature and 
Biblical Record, July 1858. De fout schuilt bp Eusebius, die hier har- 
monistisch te werk gaat en den onbekenden Addai tracht bekend te 
maken. 

Het nieuwste over deze zaak kan men vinden bjj R. A. Lipsius, Die 


Digitized by 


Google 



s 


haus (De N. T. Versione Syriaca antiqua pag. 62) stelt 
hem gelijk met Thaddaeus, welke Matth. X: 3 en Mare. UI: 
18 in sommige Grieksche handschriften verwisseld wordt 
met Lebbaeus, of aan Thaddaeus, die een der 70 discipelen 
zou zijn geweest. Het vermelden van deze laatste ver¬ 
klaring zal genoeg zijn om aan te toonen, met hoe wei¬ 
nig zekerheid we hier kunnen oordeelen. 

In den tijd van Ephraëm den Syriër') waren de meeste 
Edesseners nog heidenen. Onder de koningin van Edessa 
kennen we alleen als christelijk een’ Abgar, die van 
152—187 regeerde, en die ’t eerst op zijn munten ’t 
kruisteeken aannam en door Epiphanius (Haer. LYI) 
„vir sanctissimus” wordt genoemd. Maar in dien tijd 
zal er wel geen apostel (reuAx.) meer geleefd hebben. 
Of men moet aannemen dat de eerste Koning Abgar, 
bijgenaamd neCsa^oK' („de zwarte”) (van 8—45), op 
grond van ’t verhaal zijner briefwisseling met Christus 
reeds geloovig zou zijn geworden. Maar dan is ’t moeie- 
lijk te verklaren dat in Ephraëm’s tijd de meeste Edes¬ 
seners nog heidenen zouden zijn geweest. 

Vragen we nu, wat Barhebraeus ons zegt over den 
naam Peshittho, dan blijkt, dat hij dit woord niet als 
eigennaam gebruikt. Dit volgt 1°. uit de vermelding 
van den naam in ’t begin van] zijn boek, als hij spreekt 
van t^jico «dvn&so („deze eenvoudige vertaling”). 

Had hij ’t als eigennaam bedoeld, dan zou hij er licht 
bjjgeschreven hebben („die Peshittho 

genoemd wordt”) of iets dergeljjks. 2°. Is het woord 

Edessenisclie Abgar-Sage, Braunschweig, 1880. Deze geleerde stelt bet 
ontstaan dezer legenden ongeveer 360 na Cbr. in den kring van Ephraëm 
den Syriër, zie o. a. S. 51. 

1) Zie bjj Assemani Bibl. Or. Epbr. vita, die ook achter Uhlemann 
Grammatica der Syrischen Sprache is afgedrukt. 


Digitized by 


Google 



6 


en in den vrouwelijken vorm een ge¬ 

bruikelijk bijvoegelijk naamwoord, overeenkomende met 
het Arabische -Ia***-?- Zoo vindt men het in plur. masc. 
bij Barhebraeus vermeld in zijn Chronicon Syriacum'), 
geciteerd door Assemani (Bibl. Or. III pars 1, pag. 433 
noot): f-sa v-ik* Ktooa Ard.^. .ï. , ’t geen 

Assemani vertaalt: Quum eum [Josephum] quidam ex 
vul go adiret. Uit hetzelfde werk haalt Assemani 
(Bibl. Or. in pars 1 pag. 549) eene plaats aan over Jahja, 
een medicus te Bagdad, zoon van Djazala, welke een 
boek schreef, waarin ook gehandeld werd: rdxsosao» A^saa 
rdastsoo K’kHsiVo (de medicaminibus cibis- 

que simplicibus atque compositis). In de scholiën 
van Barhebraeus op Job komt ook voor: 
tCV** Ax .^n en ^ 2 ) (omdat eenvoudige, d. i. 

ongeleerde, lieden geestelijke zaken moeielijk verstaan). 

Men zou daar nog kunnen bijvoegen o. a. Matth. 
VI: 22 en Luc. XI: 34, waar ’t woord voorkomt als ver¬ 
taling van iir*.oüs. 

Men ziet hieruit, dat het woord èn bij Barhebraeus 
zelf èn in het N. T. voorkomt in de beteekenis van 
„eenvoudig”, dus ook „gewoon”, „of wat in de handen 
van ieder” is. In de eerst geciteerde plaats kan het 
niet dan door vulgus vertaald worden. In de tweede 
staat het tegenover nLaatsn (compositus) en zou ’t beste 
vertaald worden door eenvoudig, of enkelvoudig. In 


1) Barhebr. Chronieon uitgegeven, wereldlijk deel onder den titel: 
Gregorii Abulpharagii sive Bur-Hebraei Chronicon Syriacum, door Bruns 
en Kirsch, met Lat. vertaling Lipsiae, 1789, 2deelen; en geestelijk deel, 
onder den titel: Chronicon ecclesiasticum, door Abbeloos en Lamy, Lo- 
vanii 1872—1877 (3 deelen). 

2) Zie Kirschii Chrestomathia, ed. Bemstein, Lipsiae 1832. pag. 188, 
regel 5. 


Digitized by 


Google 



1 


de derde plaats moet het gedacht worden tegenover de 
geleerden, en dus wederom de gewone eenvoudige 
lieden. Als vertaling van ’t Grieksche «jtaow« is het 
quod non est compositum. 

De etymologie steunt verder deze verklaring. De 
radix beteekent „pandere”. Dus is: wat 

uitgestrekt, dus effen is = het Duitsche schlicht 1 ). 
In het Chaldaïsches Wörterbuch van Levy wordt sub voce 
een plaats uit den Jeruzalemschen Targum (Num. 
XXXI: 22) aangehaald, waar ’t voorkomt in de betee- 
kenis van ontoebereide stof. 

Om nu verder te weten te komen, wat de auteur 
met die benaming bedoeld heeft, hebben we ons af te 
vragen: Wat stelt hij tegenover die „gewone” vertaling? 

We weten, dat, behalve de meest verspreide Syrische 
bijbelvertaling, er nog anderen zijn, met bepaald doel 
vervaardigd. Onder dezen is de meest bekende de Phi- 
loxeno-Charclensis. Yan haar getuigt Barhebraeus ver¬ 
volgens, dat het een tweede vertaling is in de stad 
Mabug (Hierapolis) vervaardigd in de dagen van den 
heiligen (r£oou „pius”) Philoxenus (508), en dat ze ten 
derden male gecollationeerd „vertaald”) is 

in Alexandrië door den heiligen (rtioa**) Thomas van 
Charkel (616) in het heilige (k&vx..vs) klooster der An- 
tonianen *). 

Daarna maakt hjj melding van eene vertaling van 


1) Overig in ons werkw. slechten, vergelijk in onzz oude taal »een 
slecht soldaat” d. i. »een gewoon soldaat”. 

2) Misschien Enatonianen; althans Johannes van Ephesus (Anecdota 
Syriaca ed. Land. TI p, 177 regel 4 v. o.) zegt: £kXSk&29:v 

(» _ <A li^ dat een vertaling ig van »de negende" = ’imarm 

of ’/vtfTOv). 


Digitized by 


Google 



8 


het Oude Testament naar de LXX uit het Grieksch in 
het Syrisch door Paulus bisschop van Tela-Mauzelath. 

Deze beide overzettingen zijn blijkbaar vervaardigd 
in een’ tijd, toen men om dogmatische redenen meer 
waarde hechtte dan vroeger aan de ware lezing der 
EL Schrift. Met dat doel schijnt ook de 
rvdu&aio (traditio Karkaphensis) vervaardigd te zijn '). 

Deze laatstgenoemde bewerkingen waren — zooals 
van zelf spreekt — in niet veler handen. Wilde nu 
Barhebraeus, dat zijn commentaar nut zou doen en 
verspreid zou worden, dan moest hij natuurlijk niet 
den tekst dezer weinig verspreide uitgaven nemen, 
maar die, waarvan hij zelf getuigt, dat ze „in de han¬ 
den der Syriërs is in elke plaats”. Zoo wil hij dan 
niet anders zeggen dan dat hij de gewone, d. i. de 
„Vulgata” ten grondslag van zijn commentaar legt. 
Deze vertaling staat alzoo tegenover die, welke ten 
dienste van theologen zijn vervaardigd, met weten¬ 
schappelijke of dogmatische doeleinden. 

In zijn (Historia Compendiosa 

Dynastiarum) (pag. 100 reg. 8 ed. Pocock, Oxoniae 
1663) onder zijn Arabischen naam Abulfaradj uitge¬ 
geven, zegt Barhebraeus van de Peshittho sprekende: 
LgJliü Xc^LJI uSjJLJ v t-i. ^) al» m* ♦ ji , d. i. „die x, h « — > 

(= K'èO^xa) genoemd wordt om ’t ontbreken van nauw¬ 
keurigheid in uitdrukking (xibLJi). 

Is deze vertaling juist, dan strookt ze met de ver¬ 
klaring van het woord, hierboven gegeven, en staat ze 

1) Zie Journal Asiatiquo 6e Série, 14, 1869 pag. 245 sqq. inzonder¬ 
heid pag. 374, een opstel van den Abbé Martin. En vroeger Wiseman, 
Horae Syriacae I pag. 149 Sqq. Rosen en Forshall p. 69 wg. (oude 
Catalogus v. ’t Britsch Museum 1858). Karkaphensis was geen vertaling, 
maar eene recensie van den Peshitthotekst. 


Digitized by AaOOQle 



9 


tegenover de meer zorgvuldig bewerkte vertalingen. 
In dit verband wordt ze gesteld tegenover de LXX, 
waarvan Abulfaradj getuigt: j? lA_#j 

UjUIc iXic j*zx Jt „en dit is de vertaling LXX, die aan¬ 
genomen (gangbaar) is bij onze geleerden”. „Geleerden” 
vragen bij een bijbeltekst in de eerste plaats naar 
nauwkeurigheid en daarom gelooven we dat het ver¬ 
band ons recht geeft aldus te vertalen ‘). Ook stelt 
de auteur de nauwkeurigheid van de Peshittho in 
kwestie door te zeggen: ****** oLUaï uó o u 

„indien althans hun codex overeenkomt met den codex 
der Joden”. 

Ook in andere plaatsen, waar bij Barhebraeus de 
naam Peshittho voorkomt (zie Godg. Bijdragen, 1862 
bladz. 488) wordt hjj gesteld tegenover andere vertalin¬ 
gen, vooral van de LXX, en wordt er bij gezegd, dat 
ze in de handen der Syriërs is. 

^Peshittho is dus de naam van die Syrische 
bijbelvertaling in Barhebraeus’ tijd, die de 


1) Het Arab. «uAj beteekent 1° van den menach gezegd — welspre¬ 
kend. 2° van den stijl of 't Schriftproduct gezegd, noemt Freytag in zjjn 
lexicon S. V. het »ea conditio, qu& finem propositum assequitur oratio”. 
In verband met de beteekenis van den radix jJb (pervenire) is het een 

woord van zeer rekbare beteekenis. Wiseman, Horae Syriacae, tom. I, 
pag. 94, vertaalt het door elegantia. Maar in »elegantia” wint de Pes¬ 
hittho het toch zeker van de gedwongen letterlijke vertalingen van Phi- 
loxenns en Thomas van Charkel. Van een 1 mensch gezegd kan men het 
door »welsprekendheid” vertalen; dan treedt echter daarin niet de ele¬ 
gantia op den voorgrond, maar de overredingskracht (volgens de grond- 
beteekenis van £jj). Tot den |JLc d. i. de Rhetorica, behoorde 

ook de r 1 * d. i. de wetenschap der distinctie. Waar nu Barhe¬ 

braeus spreekt van de IgiSj ^ xcbü (in hare vertaling) geloof ik recht 

te hebben vrjj te vertalen door: nauwkeurigheid in uitdrukking, wat 
beantwoordt aan de regels der rhetorica in den ruim sten zin. 


Digitized by 


Google 



10 


meest „gewone” was, niet bp de theologen 
geaccrediteerd, maar voor godsdienstig en 
kerkelpk gebruik ’t meest gewild. Men zou 
haar dus de Vulgata kunnen noemen, mits men niet 
meene, dat dit een letterlijke vertaling van 
zou zijn, daar „pandere” en niet „spargere” (i.ia) 
beteekent. 

Yan groot belang is nu, vooral uit tekstcritisch oog¬ 
punt, de vraag: Kunnen we ook zekerheid erlangen 
aangaande de Syrische vertaling, welke in Barhebraeus’ 
tyd de gewone was, en die op vele gronden voor oud 
gehouden wordt? Zeer vaak toch toch wordt bij de 
vaststelling der lezing van het N. T. de lezing van de 
Peshittho, door Tischendorf in de noot vermeld, aan¬ 
gevoerd als getuige voor den tekst van de tweede eeuw. 
Dit is even ongegrond als dat men de lezing van 
een’ Griekschen codex zou aanhalen als lezing van ’t 
xMypxQov. 

Men kan de gewone Syrische bijbelvertaling, in na¬ 
volging van Barhebraeus, Peshittho blijven noemen, 
mits men in het oog houde 1°. dat dit geen eigen¬ 
naam is, en 2°. dat men daarmede bedoelt een reeks 
van Syrische lezingen, die, ofschoon onderling afwijkende, 
toch met elkander meer overeenkomen, vergeleken met 
de andere bij name genoemde Syrische vertalingen. 

Wil men dus weten, wat de Peshittho leert aan¬ 
gaande deze of gene lezing, dan dient eerst vast te 
staan, wat de meest geaccrediteerde lezing van de Pes¬ 
hittho zelf is. M. a. w. eerst moet voor den tekst der 
Peshittho geschieden, wat Tischendorf zich voorstelde 
te doen voor den Griekschen tekst van het N. T. Eerst, 
als deze arbeid volbracht is en we ons mogen verheu- 


Digitized by 


Google 



11 


gen in ’t bezit van een critische uitgave van den tekst 
der Peshittho met den noodigen apparatus, kan men 
op zuiver kritisch standpunt de Peshittho oproepen als 
getuige voor den tekst van vóór de 4 e eeuw. 

Die arbeid zal niet zeer gemakkelijk zijn. Begint men 
met de codices te vergelijken dan zal men afwijkingen 
vinden in den codex Guelpterbytanus en vooral in de 
evangeliën fragmenten door Cureton uitgegeven. Reeds 
wanneer men de citaten in de Homiliën van Aphra&tes 
raadpleegt, vindt men belangrijke afwijkingen. Neemt 
men die van Ephraëm, dan ontdekt men tamelijke 
overeenstemming met de meest bekende codices. Maar 
men moet niet vergeten dat de ongeschondenheid van 
Ephraïm’s tekst niet te bewijzen is. Het ligt niet op 
mijn weg hierover uit te weiden. Genoeg dat een 
man als De Lagarde (De N. T. ad versionum orien- 
talium fidem edendo, Berolini 1857) er van zegt: „Sy- 
riacam vero primam magnopere vereor ne iam Ephrae- 
mus habuerit a correctoribus corruptam. Nam cor- 
rumpi appello quod illorum temporum stolida doctrina 
emendari vocabat”. 

Het is dan ook zeer licht te begrjjpen, dat een af¬ 
schrijver, afwijkingen vindende in de lezingen van 
Ephraëm, zich gehaast heeft, die uit zijn codex van 
den Bijbel of uit zijn geheugen te verbeteren. 

Voorts zal men — zooals gewoonlijk — ook hier 
moeten rekenen met andere fouten van afschrijvers, 
’t zjj voortkomende uit vermeende taalgeleerdheid, ’t zij 
uit onoplettendheid, enz."). 

1) Over deze dingen klaagt reeds Jakob van Edessa in een brief aan 
Georgius, bisschep van Saiug. Deze brief is uit Romeinsche en Parjjsche 
HSS. met vertaling uitgegeven door J. P. Martin, Parjjs, Londen, Leipzig 
1869, en door Dr. Phillips, London 1869, uit Londensche HSS. 


Digitized by AaOOQle 



12 


Het is er evenwel nog verre van af, dat we zulk eene 
critische uitgave zouden bezitten. De eerste uitgave 
der Peshittho verscheen te Weenen in 1555 en werd 
bezorgd door Widmanstadt. Hieruit ontstonden de la- 
teren. De 13 e is van Carolus Schaaf in 1708, waarvan 
Jos. White in zyn Praefatio voor zijn werk over de 
Versio Philoxeniana (pag. V) getuigde: „quae quamquam 
prioribus longe praestat, multa tarnen adhuc habet, 
quae ulteriorem emendationem requirunt”. 

In 1782 gaf Bruns (in het Repertorium für biblische 
und orientalische Litteratur, Tomus XY, p. 163 Sqq.), 
eene collatie van den codex Guelpherbytanus ') van 
’t Matthaeus-evangelie. De afwijkingen daarin, als¬ 
mede die der Philoxeniana, zijn hierachter in rekening 
gebracht bij de beoordeeling der varianten van Cu- 
reton’s evangeliënfragmenten. 

Hoe nu ook deze Wolfenbuttelsche codex van Schaaf s 
editie moge afwijken — ’t meeste wordt de eenheid van 
lezing gestoord door de ontdekking van Cureton’s fragmen¬ 
ten der evangeliën *). Zooals de titel en vooral de keurige 
uitgave bewijzen, hechtte Cureton daaraan veel waarde. 
Om allerlei redenen was deze tekst ouder dan alle ande¬ 
ren, en daarom alleen reeds zeer belangwekkend. Daarbij 
kwam, dat Cureton van gevoelen was dat we in dezen Sy- 
rischen tekst van Matthaeus den oorspronkelyken Ara- 


1) Hier en daar stemt deze codex overeen met den codex Goloniensis. 
Dr. Land vond deze weder onder de Leidsche handschriften, en beschreef 
hem in den Catalogus Codicum Orientalium, Bibl. Acad., Lugd. Bat., 
deel V, p. 64 vlg. N°. MMCCCXLIV (Cod. 1198). Plantjjn bezigde deze 
voor de uitgave van zyn koninklijken Bybel (zie Gids, Aug. 1880, p. 238 vlg.) 

2) Uitgegeven onder den titels Remains of a very antient recension 
of the four gospels in Syriac, hitherto unknown in Europe, dis covered, 
edited and translated by William Cureton, D. D., F. E. S. London 1858. 


Digitized by 


Google 



13 

meeschen tekst zouden hebben, waarvan Papias bjj Euse- 
bius zou gewagen. Zoolang echter dit bericht niet his¬ 
torisch vaststaat en men met veel recht beweert, dat 
Papias met r* liyix ') niet den tegenwoordigen vorm van 
ons Matthaeus’ evangelie op ’t oog heeft gehad, is Cu- 
reton’s stelling enkel een hypothese, die kwalijk gesteund 
wordt door het taaleigen van dit evangelie in onder¬ 
scheiding van dat der drie anderen *). 

Over het karakter dezer varianten wenseh ik in dit 
boekske te handelen om eenigzins de plaats te bepalen 
die deze codex moet innemen bij de vaststelling van 
den tekst der Peshittho. 

Ik heb daartoe den tekst van Cureton gecollationeerd 
met die van Schaaf (Lugd. Bat. 1717). Daarna alle 
varianten geschift en gerangschikt in volgorde, zooals 
de volgende paragrafen zullen aanwijzeh. Op deze wijze 
vond ik acht rubrieken, maar hield een overgroote klasse, 
van afwijkingen over, die ik in een 9 e paragraaf heb 
bijeengevoegd. Vooral deze klasse legt — zooals later blij¬ 
ken zal — veel gewicht in de schaal voor de juiste waar- 
deering van Cureton’s codex. Na de behandeling der vari¬ 
anten naar hunne onderscheidene soorten, vatten we in 
een tweede deel ons resultaat omtrent de waarde van dien 
codex. Volledigheidshalve voegen we er drie aanhangsels 
aan toe: 1°. over ’t opschrift in Cureton boven Matthaeus; 
2°. over de citaten bij Aphraates, en 3°. over de ver¬ 
melding van Cureton’s lezingen in den apparatus criticus 
van Tischendorf’s editio octava maior. 


1) Zie b. v. Dr. Wilh. Weiffenbacb, Die Papias-Fragmente Gber Marcus 
und Matth&us, Berlin, 1878, Seite 77 vlg. 

2) Zie hierover een opstel van Dr. Land in de Godg. Bijdragen 1859, 
pag. 724 volg. 


Digitized by AaOOQle 



14 


Vóórdat ik echter overga tot de behandeling van mijn 
onderwerp, vermeld ik in ’t kort de beschrijving van 
zijn uiterlijk ’). De overblijfselen bestaan uit 88 bladen, 
30 centim. lang en 24 centim. breed (*, waarvan vele be¬ 
schadigd zijn, vooral foll. 1, 42, 52 en 53. Het schrift 
is fraai, kloek Estrangela, waarschijnlijk uit de laatste 
helft der 5 e eeuw. Er zijn geen klinkers en zeer wei¬ 
nig diakritische punten, behalve de ribboei. Het op¬ 
schrift boven ’t Matth. evangelie luidt waarschijnlijk: 
t ba o c£x.^&sq.i t (zie Aanhangsel 1). Aan het slot 

van Markus, waarvan slechts H. XVI: 17—20 overig is 
staat Qociaiss.i ; terwijl de doorloopende 

titel boven Lukas is: «<aeiAs of reLnoA.i < ^cu\\ia.re'. 
De tekst van dezen codex is op foll. 6 b —8 a veel veran¬ 
derd, ten einde hem in overeenstemming te brengen met 
den gewone. Er is geen aanwijzing van pericopen, dan 
van de 2 e en 3 e hand hier en daar op den rand. 

Een noot op fol. I 8 in loopend schrift uit de 10 e 
eeuw bericht ons, dat dit boekdeel behoorde aan een 
monnik Habxbai of Hablb, die ’t ten geschenke gaf 
aan het klooster van S. Maria Deipara. 

Op fol. 88 a aan ’t slot van ’t evangelie van Lukas 
is een aanteekening, die ons doet zien dat de boeken 
behoorende aan ’t klooster van St. Maria Deipara her¬ 
steld werden in het jaar 1533 (d. i. 1222 van onze 
jaartelling.) 

Deze 88 bladen zijn tot één geheel vereenigd en het 
ontbrekende is aangevuld met den gewonen Peshittho- 
tekst, zoodat het nu een kompleet evangeliarium vormt. 


1) Zie: Catalogue of Syriac. Manuscript» in the British Museum by 
W. Wright. Part. I, 1870, pag. 72, 2e kol. volg. 

2) In den Catalogus uitgedrukt in Engelsche maat lij by 9} inches. 


Digitized by AaOOQle 



15 


Onder de Syrische handschriften in ’t Britsch Museum 
gecatalogiseerd onder N°. 14.451 (vroeger 14.451*). 

Nog enkele fragmenten van dezen codex gaf Dr. Roe- 
diger uit in het „Monatsbericht der Königlich Preussi- 
schen Akademie der Wissenschaften zu Berlin”, 1872, 
July, Seite 557. Zij bevatten: Luk. XV : 22—XVI : 
12, XVH : 1—23, Joh. VH : 37 (’t laatste woord 
k&i_uo)—V ni : 19, die afzonderlijk uitgegeven zijn 
door Dr. W. Wright te Londen bij Gilbert en Riving- 
ton; slechts 100 exemplaren zijn gedrukt, doch niet in 
den handel. 


Digitized by AaOOQle 



De Syrische Evangeliën van Cureton in hunne afwijk! 
van den gewonen tekst der Peshittho. 


§ l. Afwijkingen, die bloot schrijffouten zijn. 

De varianten van deze soort vatten we terstond samen 
om ons terrein als ’t ware te zuiveren, en het on¬ 
wezenlijke van het wezenlijke af te scheiden. Volle¬ 
digheidshalve moeten ze allen vermeld worden; vooral 
omdat van enkelen niet met zekerheid kan gezegd 
worden, dat ze werkelijk schrijffouten zijn. 

We geven ze in de volgorde, waarin ze voorkomen, om¬ 
dat soortverdeeling hier niet wel mogelijk is. Matth. 1: 5 
twee malen iseut. („Ober”) in plaats van .'uacix. („Obed”) 
vs. 14 en 15 i. p. v: aculned („Eliur” i. p. v: 

„Eliud”) 1 ), m : 14 i. p. v: („tot mij" 


1) Ook misschien vs 13 aftiai<A i. p. v. iflusrdl. Doch deze 
fout kan ook uit 1 Kron. 8:3 en 6 overgenomen zjjn, waar ’t in de Sy¬ 
rische vertaling ook staat. 


Digitized by v^ooQle 



17 


en Cureton geeft geen zin); H. XVII: 16 » * x.r* 
i. p. v. ft ttAtK' ptflo (sing. i. p. v. plur.); H. XYIEI: 15. 
vycujrt' („hebt gij uw’ broeder geërfd”) i. p. v. 

vsA-wr* Anèu* („hebt gij uw’ broeder gewonnen” Gr. 

Joh. IY: 47 ooial k'vjjjo („en hij zijn zoon 
zou zien”) i. p. v. cnial K'condjo („en hij zijn zoon ge¬ 
zond maakte”). Deze afwijking vindt misschien ver¬ 
klaring in de overeenkomst van uitspraak der beide 
woorden. H. VI : 50 ètojsa-so i. p. v. è\a_=m rd\o 
(„en sterve” i. p. v. „en niet sterve”) ’). Luk. XYI: 
11 f< \ck sa — i. p. v. rcücusnjso-9 („Mammol” 
i. p. v. „Mammon”); H. XX : 1 rd sa s-.i ,i_Skö>o 
rdxkxö („en de schriftgeleerden des volks met de 
oudsten”) i. p. v. rc'x.Tn >*i&ooo („de schriftgeleer-• 
den met de oudsten”). „Schriftgeleerden des volks” is 
een term, die elders niet voorkomt en ook geen dui- 
delijken zin geeft; waarschijnlijk is deze ontstaan door 
verwarring met ’t volgende >*.. H. XX: 46 rdo^óórda 
(iv (tto«Tc) i. p. v. rdl^oörda (fV <tto\x!c) kan door ver¬ 
keerd zien veroorzaakt, doch ook een verbetering zijn 
van een waanwijzen afschrijver, die dit beter meende 
te begrijpen. 

Tot deze rubriek brengen we volledigheidshalve ook 
het ontbreken van den ribboei (teeken van den plura¬ 
lis). Evenals in het Grieksch vaak o en ol l%\oi 
verwisseld worden, vindt men hier ook vaak r£xiA en 
rritiA verward. Doordien echter de Grieksche Hss. ook 
vaak afwijken, is het niet altoos uit te maken, of 
het een vergissing van den schrijver is, dan of het een 


1) Bjj Tischendorf, Ed. oct. als variant vermeld. 


2 


Digitized by <^.ooQLe 



18 


verbetering is op grond van een Griekschen codex 1 ). 

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat het zeer goed we¬ 
zen kan, dat enkele dezer fouten niet in den codex 
gevonden worden, maar drukfouten zijn in de uitgave 
van Cureton. Daar echter deze uitgave zoo net bewerkt 
is en Cureton er een lijst van drukfouten bij gegeven 
heeft, meenden we ze te moeten vermelden. 


§ 2. Linguïstische varianten. 

Allereerst komen hier ter sprake afwijkingen in woor¬ 
denkeus. Deze zijn zóó menigvuldig, dat we er slechts 
enkele voorbeelden van kunnen noemen. Wij beginnen 
met de vermelding van die, welke zuiver willekeurig mo¬ 
gen heeten, b. v. Matth. V: 22 ró^x. i. p. v. reAl («stul- 
tus”); VI: 28 („Ethp.”) i. p. v. („Pe'al”); 

VEI: 9 i. p. v. r^seo; X: 34 rda>oo i. p. v. r£av»; 
X : 88 i. p. v. rc*°k»D\; XI : 15 .va t rw\ i. p. v. 

(Infin. i. p. v. tempus finitum); XI: 25 (en Luk. 
X: 21) i. p. v. rfsoL. (Daarentegen Luk. XVII: 15 
hebben Cur. en Schaaf beiden n^icLL»); H. XII: 4 
rtfar? >4A i. p. v. rcitso.i rfain\ («brood der 

aangezichten” i. p. v. «brood van de tafel des Heeren”); 
XIII: 1 reden* A*. i. p. v. K&ea* ju Aa*.; XVII: 18 
ia^ i. p. v. pcVtfa; XIX: 6 ioos («vleesch”) i. p. v. 
(«lichaam”). Hier is Cur.’s vertaling een verbetering. 
Evenwel komt het juist omgekeerd Joh. I : 13, 14 

1) Ook het getal van ’t werkwoord wjjst niets uit, daar bg een col¬ 
lectief zelfst. naamwoord zeer goed een werkwoord in plurali kan staan. 


Digitized by 


Google 



19 


voor, o.a. is het bekende: „het Woord is vleesch ge¬ 
worden” vertaald: è>oon k'AAsoo („en het Woord 

is lichaam geworden”). Dit wijst öf op inconsequentie óf 
op een anderen vertaler. H. XXII: 16 w^oioa.t k'sü^. 
(„met de dienstknechten van Herodes”) i. p. v. èus.i 
oo.ioicD („met die van ’t huis van Herodes zijn”); XXTTf : 
30 K&usa & \»M3 (letterlijk: „bij het herleven der doo- 
den”) i. p. v. re’èusas -cdcauia („bij de opstanding der 
dooden”). Luk. YII: 38, IX: 26 en XXII: 48 komt ooi» 
(„zoon des mans”) voor i.p. v. rdxjrt'.i <ni-=> 
(„zoon des menschen”), zooals ook Cur. ’t gewoonlijk 
heeft 1 ). X: 16 komt 4 malen y_\ ^ i. p. v. >i V ^ voor. 
XI: 20 K'jirdï. i. p. v. rïfcü.i als vertaling van ixipovts 
en op vele andere plaatsen evenzoo. Luk. XVIII: 21 (en 
Matth. XIX: 20) relict r^.Wy.i ps („sedert ik jong was”) 
i. p. v. pa („van mijn jeugd af aan”). Dit ge¬ 

tal kan wel vertienvoudigd worden, doch is genoeg om 
’t karakter er van aan te wijzen. Soms wordt dezelfde 
beteekenis weêrgegeven door meerdere of mindere woor¬ 
den of door omschrijving (zie § 9). 

Uit het gebruik van sommige woorden hij Cur. in 
onderscheiding van den gewonen Peshittho-tekst zou 
men opmaken, dat de taal dezer fragmenten meer Se- 
mietisch is en minder Grieksche woorden heeft, b. v. 
Matth. 1:1 co&jiloèwi (Hebr. nïlVin 1ÖD) i. p. v. 

r<lsè\&; XXIII : 23 K’AuiaK' i. p. v. Kfeoasoj 
(vópoi) ook Joh. VII: 19 enz. Doch daartegenover staan 
anderen, waar de gewone lezing een goed Syrisch woord 


1) Cureton in zjjn Preface pag. Lil zegt dat de vertaler hier zjjn gebrek¬ 
kige kennis van ’t Grieksch verraadt, door Üvyp en %vöpco*Q$ te verwarren. 
Doch elders komt het goed vertaald voor, ook in Lukas, b. v. H. 9:44, 
56, 58 enz. 


Digitized by 


Google 



20 


heeft en bjj Cur. bastaardwoorden gevonden worden, 
b. V. Luk. Yin : 7 (lirlrpoiros) i. p. V. K&uasi; 

Luk. XIV : 2 «anj&OTicn (töpuirixii) i. p. V. Kfocn rdx*i& 
t< 1 sa '). 

Pogingen, om meer letterlpk den zin van ’t Grieksche 
woord weêr te geven, zijn b. v. te vinden Matth. 1: 23 
_ ctA k" (jC4ftf’ foüv i Sódi) i. p. v. K'orAre'pa^-. Luk. XII : 
59 i. p. v. lb\b\ (iirolijt; i. p. v. S«?). Met Joh. Y1I: 

35 rstoJÏK'.t is een meer letterlijke vertaling van 

sU t*iv hx<TTopxv tüv 'EAAiji/cüi/ , gegeven dan de lezing bij 
Schaaf rdsasa^..! k&oH&kcI. Evenwel is ’t geheele vers 
korter dan bij Schaaf en in de Grieksche codices en luidt 
slechts: „misschien gaat hij naar het zaad [Syr. vert. van 
hx<riropi] der heidenen” 1 2 ). Doch tegenover voorbeelden als 
dezen staan ook anderen, waar de gewone tekst veel juis¬ 
ter is, zooals gewoonlijk ’t geval is, b. v. Matth. XIX: 8 
\\m i. p. v. AjucA (= npoti ) ; Joh. XIY: 10 b ^sa 


1) Over *t algemeen komen in Matthaeus de meeste zuiver-Syrische 
woorden voor. Dit behoeft echter niet, zooals Cur. wil, te leiden tot 
het vermoeden op een oorspronkelijk Matth.-evang. in het Arameesch, 
doch kan ook toegeschreven worden aan een’ anderen vertaler, die juist 
ook in Lukas eenige keeren rov ivdpüirov verkeerd heeft vertaald. Ook 
kunnen die enkele plaatsen veranderingen zjjn van iemand, die de toen¬ 
malige modetaal (ook de taal der geleerden), ’t Grieksch, kende. En 
’t Lukas' evangelie is beter Grieksch, en daarom moeilijker in ’t Syrisch 
te vertalen. 

2) De Syriërs onderscheiden en Het eerste betee- 

kent een Aramaeer; het tweede een heiden (zooals *'Eaa w in ’t N. T.). 
Oorspronkelijk was dit natuurlijk hetzelfde woord. Toen echter de Sy¬ 
riërs christenen werden, noemden ze zich bp voorkeur onder Griekschen 
invloed, rtl* 1,000 (Syriërs), terwijl diegenen, die heidenen bleven, zoo¬ 
als b. v. in Haran, zich met voorliefde en trots (Aramaeers) 

bleven noemen. Zoo werd dit het gebruikelijke woord voor » heiden”, en 
later maakten de grammatici de spitsvondige onderscheiding der vokalen 
(Zie Thesaurus Syriacus van Payne Smith sub voce). 


Digitized by 


Google 



21 


(„uit den wil van mijn verstand”) i. p. v. pl 
(„uit mjj-zelf”), Luk. "Vlil: 18 i. p. v. (*•«$). 

Cureton heeft Matth. IY: 24 ia*oai, hetwelk de juiste 
vertaling is van xvSÜ-stxi , terwijl de gewone lezing: inu 
eene vertaling van xvi&rxt is. 

Vermelding verdient hier ook ’t gebruik van ’t ver¬ 
ouderde pronomen demonstrativum vvcAcn i. p. y. ^asco, 
b. v. Matth. XX: 9, Luk. VIII: 13,'hoewel ook zeer 
vele malen het meer gebruikelijke ^_cuco voorkomt. 

Toch kan men niet zeggen, dat in Cur.’s codex meer 
oude woorden en vormen voorkomen dan in de andere 
lezingen der Peshittho. De Jod b. v. van den vrouwelijken 
vorm van ’t werkwoord in Perfecte, die eerst door la¬ 
tere schrijvers verzuimd wordt, ontbreekt hier vaak, 
b. v. Matth. 1: 23 en XH: 39 i. p. v. even- 

zoo ’t voornaamwoord b. v. Matth. XI: 23 èorefc» 

i. p. v. ,&ur<h. 

Wat regels van orthographie betreft, komt in aanmer¬ 
king 1°. dat bij Cur. het object-suffix van het pronomen 
personale van den 3 en persoon gewoonlijk co i. p. v. »«n» 
luidt, b. v. Matth. XX : 19 cnicvaaYano i. p. v. luccaoLa o 
enz.; 2°. dat, waar bij verba media o gewoonlijk als passief 
een Ettaph'al-vorm in gebruik is, hier (althans in de 
schrijfwijze) een Ethpe’el-vorm voorkomt, b. v. Matth. 
XXI: 10 i. p. v. \b\b\rt‘, 3°. dat bij Cur. 

meestal de scriptio plena i. p. v. defectiva gevonden 
wordt bij de woorden: AeApo i. p. v. Alpo (Matth. YTI: 
13 enz.) A«a i. p. v. Aa (Matth. XYIII: 16 enz.) en po 
jpoèea i. p. v. ^aoèooso (Matth. VII: 28 enz.), ook soms 
in eigennamen, b. v. Matth. XIV: 4 oocvAiLa i. p. v. 
ooqaViA. Daarentegen wordt het zoo vaak voorkomende 
(„ik zeg”) schier altijd zóó geschreven, terwijl 


Digitized by v^ooQle 



22 


maar hoogst enkel iOk 1 var? gevonden wordt (b. v. 
Luk. XII: 44). Meestal echter wordt zulk eene samen¬ 
stelling van participium met pronomen (om ’t praesens 
uit te drukken) bij Cur., als ’t andere woorden betreft, 
volledig uitgedrukt, b. v. Matth. XII: 32 'Uuk' ^*9^ 
i. p. v. »-- v - enz. 

Luk. XXÜ: 10 ^ oAui^ ^Wi i. p. v. ^oèur* ^Arei^-i 

is öf louter een kakographie öf wjjst er op dat de r* 
in ’t midden van een woord niet altijd even duidelijk 
werd gehoord. Deze spelling komt meer voor. 

Ook leest men bij Cur. bijna altijd xi, en komt een 
zeer enkele maal de spelling %*i (b. v. Luk. Viil: 41) 
voor'). 

Afwijkingen in de schrijfwijze der eigennamen zijn 
b. V. Luk. III: 1 relulscn.i i. p. V. nli At-iK'.i, 

X III : 4 >Ax.ir<^a i. p. v. >Ax. iortl 3 , hoewel meestal de 
gewone spelling voorkomt. Joh. III: 9 00099 . 1^*1 i. p. v. 
Q0O9a*ia*i. Een vaste regel is hierin niet te ontdekken. 

Matth. XIV: 1 en Luk. IX: 7 doet zich de schrijfwijze 
i. p. v. rdoii^ voor, terwijl in Luk. 111:1 
bij Cur. en Schaaf beiden hiervoor goede Syrische woor¬ 
den voorkomen. 


§ 3. Exegetische varianten. 

Onder deze benaming zijn samengebracht 1° die af¬ 
wijkingen in beteekenis (niet in woordenkeus of woord- 

1) Jakobus van Edessa [in zijn reeds vermelden brief aan Georgius, 
bi8scliop v. Sarug] wjjt dergelijke afwijkingen aan de waanwijsheid der 
afschrijvers, die meenden zóó beter met den Hebreeuwschen vorm in 
overeenstemming te zijn. Hjj verdedigt de schrijfwijze met de Jod en 
zegt hun Alsèl&.l CU» TtilK' ^3» (»ik weet goed, wat ik ge¬ 
schreven heb”). 


Digitized by 


Google 



23 


vorm), welke te verklaren zijn uit een andere opvatting 
der Grieksche woorden; 2° dezulken, waarbij de Syrische 
vertaler een verklaring heeft noodig gekeurd. 

Yan elke soort laten we eenige voorbeelden volgen. 
Matth. YTI: 17 heeft Cur. ’t Grieksche x,a.xou; beter door 
K'vaü. vertaald dan de gewone lezing althans 

meer letterlek. Daarentegen heeft, Matth. XV : 32, de 
gewone lezing het Grieksche vfaTat beter door && 

weêrgegeyen, dan Cur. door (= *3* hrvovt). 

Een poging om xa,c%eiv beter te vertalen dan door ’t 
werkw. p> („lijden”) Matth. XVII: 12, zooals Schaaf 
heeft, is misschien de lezing i-a_.ca-n („verdragen”) 
Matth. XTX : 28 is èv xjj vaMyreverit?. bij Cur. beter door 
rc'.ilos^s dan bij Schaaf door k&:u» rds aks 
weêrgegeven. Waar Joh. 1:3, 10 en III : 17 van 
den Logos gezegd wordt, dat d e xJo-piof Si' xvtoü is ge¬ 
schapen , vertaalt Schaaf s lezing dit door <n:uKls („door 
zijne hand”) en Cur. door cos» („door hem” of misschien 
h *vt$). Een wezenlijk afwijkende opvatting is Joh. 
Hl: 7 de vertaling van fomiev bij Schaaf *,i.i pa („van 
nieuws af aan”) en bij Cur. AaA pa („van boven”). 
Juist vertaalt Schaaf’s lezing Luk. XIX: 44 tov xaipèv 
rij? sin<TX07rijg <rov door Klist („den tijd uwer 

bezoeking”) en Cur. ^^osi.1 Klsocu („den dag uwer 
grootheid”), waardoor de vertaler of corrector lucht 
wilde geven aan zjjn liefde voor ’t episcopaat *). 
Luk. XXIV: 10 vindt men bij Schaaf als overzetting 


1) Evenwel behoeft men niet grootheid te vertalen, zooals Cnre- 
ton in zjjn Engelsche vertaling gedaan heeft, daar in goed Syrisch 
een &r/<rxoroc vaak rÉLlOQ^ al heet (»hoofd der priesters of hoogepries- 
ter’ 1 ). Alleen leest de Syrische vertaler in deze plaats de erkenning van 
het episcopaat. 


Digitized by v^ooQle 



24 


van 1 } 'Ixku(3ou a a n ^ i cosoK' („de moeder van Jakobus”) 
en bij Cur. („de dochter van Jakobus”). 

Nadere verklaring van sommige Grieksche woorden 
vinden we b. v. Matth. II : 7 (fapiPutev vxp' xutüv) 
by Cur. .^.a» _ocrA nfeco („en hij onderzocht 

hen om te weten”) tegenover ^ocaiso .&L© („en hy ver¬ 
nam van hen”) bij Schaaf. Matth. VI: 1 hebben reeds 
Grieksche codices andere woorden voor hxxiocw w in de 
plaats gesteld, en terwijl bij Schaaf de letterlijke ver¬ 
taling (^aaèx-D.iv-s) gevonden wordt, heeft Cur., in 
overeenstemming met den Cod. Sinaït., ,^cY*è\=cna_so 
(„uw gave”). Matth. XI: 9 schijnt Cur. het dubbelzin¬ 
nige vepuro-ÓTepov opgevat te hebben als masc. acc. als 
hij leest rdlaj ^sa oen (i. p. v. rclai 

Schaaf). Matth. XV: 3 en 6 laat Cur. meer den na¬ 
druk op de tegenstelling vallen, als hij voor ha, rijv nx- 
px5o<Tiv üpiöiv heeft ^ AA^so („opdat 

gij uwe geboden vaststelt”) i. p. v. ’t letterlijk vertaalde 
•^oa&tcusalxjsa AA^sa bij Schaaf. 


§34. Toevoegsels. 

Yan eenige beteekenis is, hetgeen Matth. 1:8; XX : 
28 volg. en Luk. XII: 38 is ingevoegd. 

Matth. 1:8 worden in de geslachtslijst de konin- 
gen Ahazia, Joaz en Amazia ingevoegd (r£v*»r^, jl.k’cu 
en pö^ceoK'). Blykbaar is dit geschied, om overeen¬ 
stemming met 1 Kron. UI te verkrijgen. Tischendorf 
vermeldt dat deze invoeging ook in D en bij Epiphanius 


Digitized by 


Google 



25 


gevonden wordt. In Syrische codices schijnt ze meer 
gevonden te worden. Men vindt ze bjj Aphra&tes terug 
(zie Aanhangsel II', en Assemani, Bibl. Or. II pag. 160, 
bericht: „Inventus est aliquando Syriacus codex ex 
Hebraeo expressus, qui in genealogia istos tres Reges 
enumerat: in summa tarnen quatuordecim, non septen- 
decim colligit” ‘). Over de vraag, of Matthaeus al of niet 
deze drie koningen er bij geschreven heeft, weidt Cur. 
in zijn Preface (page YII sqq.) breed uit. Het is ech¬ 
ter mèer dan waarschijnlijk dat we hier met een in- 
voegsel te doen hebben, ook omdat het slechts in een 
enkel Grieksch Hs. gevonden wordt. 

Met D it p 1 (non f g 2 1 q) t. w. a b c d e ff l * * - 2 g L h m n 
heeft Cur. achter Matth. XX: 28 een groot toevoegsel, 
dat men bij Tischendorf vermeld vinden kan. Ook in 
de Versio Philoxeniana komt het voor, zaakrijk over¬ 
eenkomende met Cur., doch in woordenkeus en woord¬ 
schikking veel afwijkende. Het staat in die vertaling 
op den rand met deze bijvoeging: „Dit nu wordt in oude 
handschriften slechts in Lukas gelezen, H. LHI. Het 
wordt echter gevonden in Grieksche handschriften op deze 
plaats,waarom het ook door ons hier is toegevoegd” 8 ). Cur. 
vond het op deze plaats ook in een kopij van de Peshittho 
van de Nitrische Hss. N°. 14.456 (Britsch Museum). 


1) n&iajk. oi&l r^kiooo **Aè\X.rV' 

TSOK'i ^i&vscv rdl aflua w** \ *aa K&iA&t ^AcrA ^qpC'oo.i 

. u «Ao X* Kdiav. 

2 ) Ana ^iWaVco .i&iA i^aola ^Aen 

ak* _ a^ .tao 

ya^aob\b\r^ (Zie Adler: N. T. versiones Syriacae, Hafniae, 1789, 

pag. 90, 


Digitized by AaOOQle 



26 


Ook Hilarius kende het, en Juvencus (4 e eeuw), die de 
evangeliën op rijm paraphraseerde, heeft ook deze pe- 
ricope op rijm gebracht *)• De inhoud van deze les des 
Heeren komt ook op de parallele plaats bij Lukas voor. 
De vorm echter is anders, en alle lezingen stemmen 
daarin merkwaardig met elkander overeen. Het is dus 
een toevoegsel van zeer oude datum. 

Ongeveer gelijkluidend met Cod. 1. 118, 209, ff 2 i 1 
mm, Ir int 334 en b heeft Cur. bij Luk. Xn: 38 een 
toevoegsel, bij Tischendorf ook vermeld, dat van niet 
veel waarde is, maar ons wel wijst op verwantschap 
met genoemde codices (zie § 8). 

Ruim 200 toevoegsels van mindere grootte en waarde 
vindt men, als men Cureton’s codex met de editie van 
Schaaf vergelijkt. Yelen zou men tot de willekeurige 
•varianten (§ 9) of tot een vrije vertaling kunnen terug¬ 
brengen. Enkel om den aard er van te doen kennen, 
noemen we eenige voorbeelden. Matth. 1:22 voegt Cur. 

in („Jezaia”). Matth. IH:5 en Joh. 1:28 op 
echt-Syrische wijze achter den naam ^»icu („Jordaan”): 
«'icni („rivier”) zooals de Syriërs gewoonlijk achter een 
plaatsnaam «4\i.:tsa („stad”) voegen. Matth. 111:15 
leest Schaaf: cnnar. ^.-ucno („en toen liet hij van hem 
af'), doch Cur.: «toen ,nav?ni.\ crUUUL 

^.cue* („toen het hij [d. i. toen verhinderde hij niet 
langer het doopen] van hem af om te doopen, en hy 
doopte Jezus”); Matth. IV: 24 voegt Cur. na een vrye 
vertaling van ’t voorgaande er aan toe: .u» A*. oeno 
«toen «to«C2« ^ ooabAo «toen >«'qo cn.%»«' acnlso .<u> 
(„en hy legde op ieder van hen zijne hand, en genas 


1 ) Zie Cur. Preface pag. XXXVII. 


Digitized by 


Google 



27 

ze allen”) terwijl Schaaf enkel , 00 Kb leest („en 

hij genas hen”). 

Matth. VII: 22 is bij gevoegd ^èuc.«b 'V&re' v^nxs 
(„hebben we niet in Uwen naam gegeten en gedron¬ 
ken”). Matth. XI: 28 wordt achter reAx'im* („lasten”) 
rcdsasa („zware”) ingevoegd. Talrijk zijn de invoegin¬ 
gen op grond van parallele plaatsen b. v. Matth. XII: 10 
cdiJïxL .1 („rechter”) bij „hand” gevoegd uit Luk. VI: 6. 
Zoo Matth. XXI: 9 uit Luk. XIX : 17, Luk. XXII: 38 
uit Matth. XXVI: 46, Luk. XIX: 26 uit Matth. XIII: 
12. Merkwaardig is, dat Luk. XI: 36 ontbreekt bij 
Cur. waarvoor in de plaats is gevoegd Matth. VI: 23 b . 

Kleine woordjes, vooral bij woorden en voegwoorden, 
worden vaak ingevoegd b. v. r*n (iSov yxp) Matth. 
XI: 9; ndW («aaA) Matth. XIII: 30 enz. enz. 

Te recht wordt Matth. XIII: 33 de vrouw, die het 
zuurdeeg in drie maten meeis verbergde, 

(„wijs”) genoemd, maar er is geen grond van uitwen¬ 
dig gezag voor. 

Matth. XVÜ: 2 leest men bij Schaaf: „en Jezus werd 
voor hen veranderd”; doch Cur. zegt , opdat men niet 
zou misverstaan, niet „Jezus” maar ,ooa£r^.i rtbui („’t 
uiterlijk van zijn gelaat”). 

Luk. XV : 13, in de gelijkenis van den verloren 
zoon, staat bij Schaaf: „en hij verspilde zjjngeld,over¬ 
dadig levende”. Cur. echter heeft: cmu a i.vs 

K&iüt Kbeo rdu.1 . ^Aö kA.i 

(„hij verspilde zijn bezitting in verteringen, die niet 
betamen, daar hij overdadig leefde met hoeren”). Luk. 
XXIV: 41 staat bij Schaaf en overal elders dat de 
discipelen, bij het zien van den verrezen Heer, van 


Digitized by v^ooQle 



28 


blijdschap het niet geloofden. Onze vertaler of cor- 
rèctor meende, dat er ook wel vrees bij in het spel zal 
geweest zijn, en leest daarom: ^jsoo ^gcnAvA-u.i ^sa 
^ocoètoaM („van wege hun vrees en van wege hun 
vreugde”). Een weinig „rationalisirend” is de toevoe¬ 
ging van JL* voor tik' in Joh. Hl: 82, zoodat men 
daar vertalen moet (i. p. v. „en zijne getuigenis neemt 
niemand aan”): „en zijne getuigenis neemt niet ieder¬ 
een aan”. 

Petrus wordt bij Cur., vooral in het Mattheus evan¬ 
gelie, schier altijd k^péa. („Simon Petrus”) 

genoemd, en waar Joh. XIV: 22 Schaaf en alle Grieksche 
Hss. achter „Judas” voegen: „niet Iskarioth”, noemt 
Cur. hem eenvoudig KüaoK’A» k'.ioco» („Judas Thomas”). 
Hoewel op verre na niet zoo veelvuldig, komen toch 
ook in de lezing van Schaaf verklarende toevoegsels 
voor, die geen steun in de Grieksche Hss. vinden; b. v. 
Matth. XVn : 24 wordt achter de vertaling van $/- 
lpx%fjLx gevoegd: rdx»i (= tributum capitis) enz. 

Vaak gebeurt het, dat Cur. dan juist met de Grieksche 
Hss. overeenkomt. 

Zeer enkele malen hebben Cur. en Schaaf beiden 
toevoegselen, doch dan worden deze meestal ook in 
Grieksche Hss. en andere vertalingen gevonden, b. v. 
Joh. VH: 50, waar bij Cur. en Schaaf achter„ Nikode- 
mus” gezegd wordt: „die des nachts tot hem [Cur.] 
[„tot Jezus” Sch.] gekomen was”. 


Digitized by 


Google 



29 


§ 5. Weglatingen. 

Hoewel niet in zoo grooten getale als de toevoegsels, ko¬ 
men in Cur.’s codex toch zeer vele weglatingen voor. 

Met K*BLT, 126, 225, 238, 400 * ff 1 k ontbreekt 
bij Cur. Matth. XX H: 47. Een gedeelte van Matth. V: 
44 mist Cur. met KB, 1, 22, 209. al 4 a b ff l - g 1 - 2 - k 1 
vg Sax. fr. Cop. enz. Joh. V: 4 wordt bij Cur. niet ge¬ 
vonden en is ook door Tischendorf in den tekst van 
zijn editio oetava niet opgenomen op gezag van K B C * D 
33, 157, 135, flq Sab. Cop.*. 

Verder worden in overeenstemming met sommige 
Grieksche Hss. (b. v. K, D A en 1. enz.) gedeelten of en¬ 
kele woorden weggelaten Matth. XV: 31, Joh. VI: 64, 
VEI: 26S Luk. XIV: 10, XXII: 47. 

In de gelijkenis van de ontrouwe wijngaardeniers, Luk. 
XX, wordt het 12 e vers, waarin voorkomt het zenden van 
den derden dienstknecht, weggelaten. Ook Luk. XXI1 : 
20 ontbreekt geheel. De reden hiervoor kan deze 
zijn. dat reeds in vs. 17 van ’t uitreiken des bekers 
sprake was geweest, en vertaler of corrector het hier 
overbodig keurde. Het schijnt, dat, waar vertaler of 
verbeteraar een woord, dat voor het duidelijk verstand 
gemist kon worden, ontmoette, hij er geen bezwaar 
in zag, dat weg te laten. Zoo leest men Joh. VH: 37 
bij Cur. slechts: relai rdaocusso („en op den 

grooten dag van ’t feest”), terwijl Schaaf de gewone 
verklaring „zijnde de laatste” er bij heeft. Zoo wordt 
bij Cur. als oorzaak, dat Zachaeus in den boom klom 
om Jezus te zien, (Luk. XIX: 3) alleen opgegeven: 

Khco iov\ coècncuas.i („omdat Zachaeus klein was 
van gestalte”), terwijl Schaaf er r&ti* («vanwege de 


Digitized by 


Google 



schare”) aan laat voorafgaan. Dergelijke weglatingen, 
zonder dat ze elders steun vinden, vindt men b. v. ook 
Matth. XI: 27, XIII: 28, XVIII: 22, 27, Joh. 1:21, 
Luk. Xm: 30, XXIV: 11. 

Een eenigszins andere zin ontstaat door weglating 
Matth. XVII : 10, waar Cur. leest: k&k' r^Are’i 
^o.v-do-A („dat Elia eerst komt”) i. p. v. rdlo r^ i Nk'.i 
>.iacA r^reli.i („dat Elia eerst moet komen”). 

Soms betreft de weglating slechts kleine woorden, b. v. 
Joh. VII: 30, waar A-jua.w. (ouvu) niet gevonden 
wordt, maar slechts ndA (oy) en Luk. VIII: 44, waar 
(<.<u«sa (irxpxxpiiftx) ontbreekt. 

Soms vindt men ook weglatingen in den aanhef van 
pericopen b. v. Matth. XIV: 14, waar .^.cuu a&io („en 
Jezus ging uit”) gemist wordt (verg. § 9). 

Meer willekeurig dan de vorige zijn weglatingen als 
Matth. X: 34, waar i. p. v. è\_.A>rc'i r<iA 

(„meent niet dat ik gekomen ben”) enkel staat Au&rc' rtfl 
(„ik ben niet gekomen"). Joh. IV : 14, waar staat nc&sb* 
> LaAa reUJiA („van water voor het eeuwige leven”) 
i. p. v. ja \ s.A.1 i ^im A t i\3» reUjM .1 („van water, dat 
springt tot in ’t eeuwige leven”). [Zoo leest men bij Cur. 
Joh. V : 9 v^cdo („en hij wandelde”) en bij Schaaf en 
alle Gr. Codd. vAcoo coooi^. Anx. jma („en hij stond 
op, nam zijn bed x op en wandelde”). Dergeljjke vindt 
men ook nog b. v. Matth. XIII: 33, Joh. IV: 45, VII: 
9 en Luk. XI: 9, waar („zoekt en gij 

zult vinden”) wordt weggelaten. 

Door onoplettendheid en vergissing, waarvan het twee¬ 
maal voorkomende r£so»:i („die zweert”) Matth. XXITI : 
18 de oorzaak is, kan de verkorting van dat vers bij 
Cur. ontstaan zijn, zoodat daar nu slechts gelezen wordt: 


Digitized by CaOOQle 





31 


r«ix=3T30 i^iaioaa rdsa».i ^soo („die zweert 
bjj de gave op ’t altaar, zondigt”). 

Hoewel weglatingen in Cur.’s codex in grooten ge¬ 
tale voorkomen, zijn ze toch ook aan den tekst van 
Schaaf niet geheel vreemd, b. v. Matth. XYH: 27, waar 
Cur. met alle Grieksche Hss. .»èv_a© .aco („neem en 
open”) leest, en Schaaf enkel („open”) heeft. Zoo 
ook Luk. VHI: 8 waar Schaaf k^.*© („enontkiemende”) 
mist, dat Cur. met alle Grieksche codices heeft, enz. 

Eindelijk vermelden we ten gerieve onzer lezers, 
’tgeen Cureton ons leert omtrent de doxologie van 
’t Gebed des Heeren, en de pericope van de overspelige 
vrouw. 

De doxologie (Matth. VI: 13) komt in haar geheel 
voor, behalve «d*«>o (x«l >5 ix/ms), en heeft ook ^sar^ 
(„Amen”) tot slot. Het verhaal daarentegen van de 
overspelige vrouw (Joh. VH : 53— YI1I : 11) ontbreekt 
bij Cur., evenals in de meeste Hss. der Peshittho 1 ). 


§ 6. Dogmatische veranderingen. 

De afwijkingen, welke duidelijk het kenmerk dragen, 
dat ze om leerstellige redenen zijn geschied, zijn acht 
in getal. 

Matth. 1:16 is bij Schaaf gelijkluidend met de meeste 
Grieksche Hss.; Cur. echter leest: oA &©co K'vasw ©co 
ftjjLixaa -v nrA >co rv&Ao&ua („aan wien 

verloofd was Maria de Maagd, welke Jezus den Mes¬ 
sias baarde”). De bedoeling van deze verandering is 

1) Zie Tischendorf, en de Praefatio van de editie der Peshittho van 
Lensden en Schaaf, Lugd. Bat. 1717. 


Digitized by 


Google 



32 


ten duidelijkste om de uitdrukking („de 

man van Maria”), welke aanleiding kon geven tot aan¬ 
stoot, te verwijderen. Zoo luidt Matth. 1:19 bij Schaaf, 
zooals elders: „Jozef nu, haar man, was rechtvaardig 
enz.” Deze zin nu is bij Cur. geheel omgezet, ten einde 
zich van het hinderlijke crA^a („haar man”) te ont¬ 
doen, en luidt: rctvcn .\\jai ^ooo_> 

jlo („Jozef nu, omdat hij een rechtvaardig man was 
enz.”). Waar Matth. 1: 24 bij Schaaf gelezen wordt 
cn&v&ureA en ia cv („en hij voerde zijn vrouw”), heeft 
Cur. >*isxA cnia.io („en hij voerde Maria”). Opdat de 
lezer toch niet zou denken dat Jozef de vader van 
Jezus ware, vindt men Luk. II: 48 b rAni („zie, 

wij”) terwijl Schaaf te recht rditv' rAn.i („zie, 

ik en uw vader”) heeft. 

Matth. XYI : 22 leest men bij Schaaf en elders 
dat Petrus Jezus bestrafte. Dit strookte niet met den 
eerbied aan den persoon des Heeren verschuldigd, en 
daarom heeft Cur. vs. 22 slechts oi_no 

isorctv („en Simon Petrus naderde en zeide”), 

en het „bestraffen” wordt vs. 23 aan Jezus toegekend, 
^a^aaia cna rcWl^cv („en Hij bestrafte Simon”). 

Matth. X: 42 prijst Jezus dengene, die een beker 
koud water slechts in den naam eens discipels zal uit¬ 
reiken. Cur. leest hier: rc&o.uïaXiv.t rtfsuo („in den 
naam des discipelschaps”), en het zou niet onmogelijk 
zijn, dat deze verandering haren oorsprong vond in de 
toekenning van een bijzonder gewicht aan dezen rang. 

Waar Matth. 1:21 de Engel in zijn boodschap aan 
Maria haar voorspelt, dat Jezus zijn volk zal behou¬ 
den van hunne zonden, schijnt onze vertaler of zijn 
corrector dit wat te particularistisch gevonden te heb- 


Digitized by 


Google 



33 


ben, of in strijd met uitspraken als Joh. 111:16, en 
veranderde het, zoodat er gelezen wordt: ocó 

tcnocn^M {Sa rdsalLA >opq»ia^ („want Hij zal de we* 
reld redden van hare zonde”). 

Het is opmerkelijk, dat bijna al deze afwijkingen 
in het begin van Matthaeus gevonden worden. Dit kan 
zijne verklaring daarin vinden, dat dóAr de meeste 
plaatsen voorkomen, die bij eene letterlijke opvatting 
in tegenspraak zijn met de bovennatuurlijke geboorte 
van Jezus. Toch is het vreemd, dat een man, die zulke 
groote veranderingen in den tekst dorst maken, zonder 
daarvoor [voor zooverre wij althands kunnen nagaan], 
grond in Hss. te vinden, zijn dogmatisme wist te brei¬ 
delen op zoo vele andere plaatsen in de evangeliën, 
waar de menschelijke natuur des Heeren sterk op den 
voorgrond treedt, b. v. in Gethsêmanê. We hebben 
hier dus eene dogmatische correctie alleen van die plaat¬ 
sen, die in theologische twisten dienst moesten doen. 


§ 7. Afwijkingen in de aanhalingen uit het 
Oude Testament. 

Er zyn vele aanhalingen uit het Oude Testament in 
den codex Curetonianus, welke met die bij Schaaf let¬ 
terlijk of bijna letterlijk overeenkomen, b. v. Matth. H: 
15, X:36, XI: 10, XH:7, 18, XXI: 16, 42, XXII: 
37, 39 en 44. 

Anderen daarentegen wijken van de gewone Peshittho- 
lezing af. Soms komt dan Cur. met de LXX overeen 
of met de Syrische overzetting des O. Y. Dan weêr 

3 


Digitized by 


Google 



34 


volgt Schaaf’s lezing met een dezer beiden. Van 
’t een zoowel als van ’t andere geven we de voor¬ 
beelden op. 

Bij Cur. komen de volgende plaatsen (in afwijking 
van Schaaf’s lezingen) met de LXX overeen: Matth. II: 
18 waar Cur. er heeft bijgevoegd: K&iüièta 

(„en vele klachten”), ’t geen in de Syr. vert. van het 
O. T. gemist wordt, terwijl de LXX heeft xx) SSupftoü 
[afhangende van < p&ni], en Matth. XXII: 32, waar Cur. 
leest: aan.^j.1 cncn-lrA* a-wQcuk'.i onco_Ar<fc\ (kx) i telt 
'Ijxxx xa'i i ieèt ’i xxdfi), ’t geen LXX en de Grieksche hand¬ 
schriften des N. T. lezen, terwijl Schaaf met de Syr. 
vert. des 0. V. xx) weglaat. 

Tegenover deze twee plaatsen staan er vele, waar 
Cur. met de Syr. vert. des 0. V. overeenkomt, en 
niet met de lezing van Schaaf, die gewoonlijk met 
de LXX samengaat, b. v. Matth. IV: 4 bij Cur. 

(Toü Kupieo) — Syr. vert. en Schaaf ótcïi = LXX; Matth. 
IV: 6 Cur. (M /Spxzióvu,*), Schaaf= 

LXX (M xeipax ) J ); Matth. IV: Ï5 toont Cur. zeer sterke 
overeenkomst met de Syr. vert. «X&v&a.-i (xx) i 

•yvi Nxcpêxï.eifx.) terwijl Schaaf xx) weglaat met de LXX. 
In ’t zelfde vers heeft Cur. achter op Syrische 

wijze K'icoi (iroTxpioïi) gevoegd, hetgeen ook in de Syr. 
vert. gevonden, maar door de LXX weggelaten wordt. Het 
citaat uit Jezaia LIH:4 in Matth. VIH:17 was zeer 
bekend, waardoor waarschijnlijk èn Cur. èn Schaaf 
verschillende woorden hebben. Het Hebreeuwsch heeft 
K20, de Syr. vert. , Cur. Aciaau en Schaaf eV; 

Matth. XV: 4 is het citaat uit Exod. XXT : 16 öf 


1) Evenwel mist de Syr. vert rpbt * Itm, dat Cureton heeft. 


Digitized by v^ooQle 



35 


uit de Syr. vert. overgenomen, óf verbeterd; Cur. heeft 
(Syr. vert. 0. T. cd\aè\sa) („zal gedood 

worden”), terwijl Schaaf met LXX en Gr. codices des 
N. T. leest: j>a ra» èv_sa_sa (tcXcvtxv TeXevriru , LXX. 
TfX(VTy;<7ii êxvxTu). Matth. XXI : 5 voegt Cur. A_t.ii 
(Slxxioc) in, evenals LXX en Syr. vert. Evenwel la¬ 
ten Schaaf en alle Grieksche Mss. dit woord weg. 
Aan Matth. XXI: 13 voegt Cur. r&xöu*. ^ acoLA (ttmi 
T oiq Uvtatv) toe, hetgeen ook in LXX en Syr. vert. ge¬ 
vonden wordt. In Joh. 1:23 (en op de parallele plaats 
Luk. IH: 4) leest Cur. totaal (r$ Kyp/p) met de Syr. vert., 
terwjjl Schaaf met de LXX rdisa.i (roD k vpiov) heeft. 
Tot deze rubriek kunnen nog gebracht worden de afwij¬ 
kingen in het geslachtsregister. Matth. 1:8 is in § 4 
reeds besproken; hier zij alleen opgemerkt, dat deze 
inlassching geschied is om meer overeenkomst te ver¬ 
krijgen met 1 Kron. Hl: 11. De verandering van 
(„Salmon”) in «dA („Shela”) is zeker op grond van 
Gen. XXXVm : 26 aangebracht, waar p|7# vermeld 
wordt. 

Door anderen invloed zijn de volgende afwijkingen, 
tot deze rubriek behoorende, ingeslopen: Matth. XV: 
8, waar Cur. tih$ i. p. v. fyyl&t leest, uit Mare. Vil: 6 
overgenomen; en Matth. XIII: 14 waar de vertaling 
Cur. ^ ovmAi redo i. p. v. «do, ontstaan is uit 

de bekende verwarring van tft*™ en ft*™. 


Digitized by 


Google 



§ 8. Verwantschap der varianten met Grieksche 
handschriften en andere vertalingen. 

Wie de critische uitgave van het Nieuwe Testa¬ 
ment door Tischendorf nagaat, bemerkt dat vele va¬ 
rianten van den codex Curetonianus (bij verkorting 
aangeduid: Syr. cu ) steun vinden in enkele Grieksche 
handschriften en vertalingen 1 ). Veelal betreft dit parti¬ 
kels, als ovv, yètf , ü enz. Talloos zijn de varianten van 
deze soort. Reeds eene oppervlakkige beschouwing van 
den apparatus criticus toont, dat afschrijvers en verta¬ 
lers met deze woordekens zeer vrij hebben gehandeld. 
Somtijds kan men er verklaring voor vinden; b. v. als 
Cur. 5 i. p. v. xx) of xxi i. p. v. 5 leest, dan kan dit 
ontstaan zijn uit misverstand, daar § in ’t Syr. ore’ en 
xx) = o is. Vooral heeft dit plaats, als 't voorgaande 
woord op re' eindigt, dat nog al dikwijls gebeurt, daar 
dit de uitgang van den status emphaticus is. Deze 
klasse moge groot in aantal zijn, ze is te weinig van 
gewicht, om er langer bij stil te staan. 

Ook heeft ’t bekende itacisme— waar het de betee- 
kenis kon veranderen — invloed geoefend, b. v. Matth. 
XII: 25, waar Cur. k’u» en Schaaf heeft. Blijkbaar 
las Cur. liiiv en Schaaf flSa,-. Zoo ook Matth. XIII: 14. 

De aanhef van pericopen komt in de lezing van 
Schaaf meestal overeen met de beste, of met de meeste, 
indien niet met alle codices. Toch vindt hier de afwij¬ 
kende lezing van Cur. enkele malen steun in sommige 
Grieksche handschriften, b. v. Matth. XV : 3, 25 en 
XVI: 2. Matth. XV : 3 heeft Cur. oen en 

Schaaf ^.cuc* ra Nu is Cureton’s lezing de letter- 

1) Zie echter Aanhangsel III. 


Digitized by v^ooQle 



lijke vertaling van het Grieksche & xiroKptêetc , ’t geen 
in alle codices gevonden wordt, en Schaafs lezing is 
dus willekeurig. Doch dit is eene uitzondering. 

Toevoegsels en weglatingen zijn § 4 en 5 bespro¬ 
ken. Hier zij alleen vermeld, dat ze gesteund worden 
door die codices, welke ook andere varianten van Cur. 
verklaren. 

Enkele malen komt Cur. overeen met alle Gr. codi¬ 
ces, en moet de lezing van Schaaf s editie als wille¬ 
keurig beschouwd worden, b. v. Matth. 11:21, IV:6, 
V : 36, 37, 42, XI : 12, Joh. 111:26, VI: 13, 54. 
Op de laatste plaats b. v. leest Cur. met alle codd. 
i Tfüycuv nou ritv aipv.x k . t . a . De gewone tekst nu van de 
Peshittho meende dit te moeten verduidelijken en voegt 
er vóór, zoodat men vertalen moet: „die van mijn 
vleesch eet enz.” De andere genoemde plaatsen be¬ 
treffen kleinigheden: b. v. Matth. 11:21 leest Schaaf 
>o Acoeua („En Jozef stond op en geleidde”). 

Wij vermelden deze lezingen, niet om haar belang 
voor den oorspronkelijken Griekschen tekst, maar om 
te doen uitkomen, dat de vrijheden en afwijkingen, 
die elders Cureton’s lezingen kenmerken, ook hier en 
daar in den tekst van Schaaf voorkomen. 

Euim 400 afwijkingen van meer of minder belang 
vinden steun in de lezing van één of meer Grieksche 
Hss. óf vertalingen öf citaten. Soms is het een breede 
rij van getuigen, dan weêr zijn het slechts enkelen; 
eindelijk zijn er lezingen, die óf in één vertaling óf 
een enkele maal bij een kerkvader (meestal Origenes) 
voorkomen. 

De Grieksche handschriften, die met Cureton veelal 
samengaan, zjjn vooral tt, B, D, L, Z, r, A, dan K, M, N, 


Digitized by v^ooQle 



38 


S, U, X en n. Zeer zelden is dit met A en soms met C 
het geval. Yan de minusculi komen in aanmerking: 
1, 13, 33, 69, 131, 157. 

Bekend is de overeenkomst van D met de hand¬ 
schriften van de Itala. Deze dus steunen Cureton’s 
lezing ook vele malen, uitgezonderd eod. q. 

Opmerking verdient, dat in de citaten, bij Tischen- 
dorf vermeld, zeer dikwyls Origenes óf een lezing van 
Cur. met andere Hss. steunt , öf alleen ze weêrgeeft. 

De lezing bij Cur. Joh. VI : 24, VII: 18, VIII: 14 
wordt alleen gesteund door cod. K. Zoo ook Joh. V:8 
door cod. 33. Doch dit betreft varianten van zeer weinig 
beteekenis. Afwijkingen van grootere beteekenis wor¬ 
den meestal door een breede rij van codices gesteund. 
Zoo wordt b. v. Joh. V: 3 b , 4 weggelaten met K B C * D, 
33,157,134, f,1, q harl* Sah. cop dz arm cod p 1 - enz. De 
weglating in Luk. XIX: 25 vindt steun bij D, 69, al 8 
b e g 2 , en wordt verklaard door de parellele plaats van 
Matthaeus. Zoo ook de weglating Luk. XXI: 18 door 
parallele plaatsen van Matthaeus en Marcus. 

Een groot toevoegsel in Matth. XX: 28 wordt ge¬ 
steund door D itP 1 ieabcdeff 1 * 2 g 1 hmn enz. 

Luk. XXII laat Cureton vs. 19 voorafgaan aan de 
17, 18, welke volgorde ook gevonden wordt in D, 
aff 2 il. Meestal, waar alle of de beste Grieksche codi¬ 
ces jA/yaWrs? of a’A/ymirr/* hebben, heeft Cur. StxKTToc of 
iiri(TTlx. En nu is ’t opmerkelijk, dat omgekeerd Matth. 
XVÜ: 20, waar vele codices — daaronder ditmaal ook 
D — imtrria hebben, Cur. iXiyovivri* heeft met , B, 
1, 13, 33, 124, 346, Sah. Cop. arm. aeth. Or. Chr. 

Onder de enkele plaatsen, waar D, in afwijking van 
Cur., overeenkomt met den tekst van Schaaf, is niet 


Digitized by 


Google 



ééne van beteekenis, b. v. Joh. V: 40 waar Schaaf met 
cod. D en 69, al 5 eg achter voegt xUviov. 

Met de afwijkingen van den codex Guelpherbytanus 
van de Peshittho heb ik de varianten bij Cur. vergeleken. 
Daarbij stond mij enkel een collatie van ’t Matthaeus- 
evangelie ten dienste 1 2 ). Het resultaat was, dat van de 
44 afwijkingen, aldaar opgegeven, er 15 steun vinden 
in onzen codex. Misschien zou een collatie van al de 
evangeliën belangrijke zaken over de verhouding dezer 
twee manuscripten aan den dag brengen. De varianten 
zijn wel van geen groot gewicht, maar daarom is het 
juist te meer opmerkelijk dat ze overeenkomen. B. v. 
Matth. V: 17 hebben Cur. p^ix.re .1 nA („ik ben 

niet gekomen om te ontbinden”), Guelph. r*i_x.T*.i «d 
(„niet om te ontbinden ben ik gekomen”/, ter¬ 
wijl Schaaf („ik ben gekomen”) weglaat. Zoo 

heeft Matth. V: 23 Schaaf r<uo.isa A*. (Gr. codd. èv) 
t o 6umx*T)ipic\>), terwijl Cur. en Guelph. ^.«u» (i. p. v. A^.) 
d. i. voor („’t altaar”) lezen. Treffend is de overeen¬ 
komst Matth. XII: 11, waar Schaaf ( e ] ? fiéSuvov) 

heeft en Cur. met Guelph. hebben: een woord, 

waarbij Bruns aanteekende, dat het geen Syrisch is in 
deze beteekenis, want dat het „socius” beteekent en de 
radix iau» (Hebr. "isn) = graven is J ). Zoo hebben Cur. 
en Guelph. waarschijnlijk aan soortgelijke plaatsen bei- 


1) Zie Repertorium für biblische und oriënt. Literator, TomusXVpag. 
163 door Bruns. Aan ’t slot van dit stuk wordt wel »Fortsetzung” be¬ 
loofd, doch nóch in ’t volgende deeltje, nóch in een andere serie van 
dit Repertorium wordt zy gevonden. 

2) Evenwel staat dit woord ook in Novum Testamentum Syriace enz. door 
Gutbier te Hamburg in 1664 uitgegeven. Bruns vergiste zich, men leze 

, hetgeen evenzeer »fossa” beteekent als Ij-TUi, 


Digitized by CaOOQle 



40 


den ontleend ^oaoèua&so („hunne gedachten”) i. p. v. 
«^_ocnè>cut»=j (Matth. XXII: 18). 

Varianten van beteekenis, die niet in andere codices 
gevonden worden, bezit deze vertaling niet. Er zijn 
wel enkele op zich zelf staande afwijkingen, maar deze 
kunnen op exegetische, dogmatische of andere gron¬ 
den verklaard worden (§ 3, 6) en dragen volstrekt niet 
’t kenmerk van een ware lezing. 

Volledigheidshalve spreken we ook over de verwant¬ 
schap van Cureton’s lezingen met de latere vertalingen. 
Het blijkt, dat, waar we ze later terugvinden, ze ook 
reeds in andere Grieksche codices of in de Itala gevon¬ 
den worden. Matth. XVH: 21 ontbreekt bij Cur., zoo 
ook bij Syr. hr - Sah. Cop. od aeth rom et cdd - en wordt 
reeds gemist in * B en 83. 

Luk. IH: 8 ontbreekt êv êxvr zoowel bij Cur. als 
in vg., arm. en aeth. Doch ook reeds in de meeste 
Hss. der Itala wordt dit gemist. 

Matth. XVII: 2 heeft Cur. vy»r^ („als sneeuw”) 

i. p. v. K'icocu vyri'(„als licht”). Dit'vindt men terug 
slechts in de Aethiopische en Armenische vertalingen, 
doch het wordt genoegzaam uit de parallele plaats van 
Marcus (IX: 3) verklaard. 

Bij Matth. XX: 7 hebben sommigen codices een toe¬ 
voegsel. Ook Cureton heeft dit; maar i. p. v. 
vindt men 3«<r« óf.av , hetgeen alleen bij Syr. Lr Cop. cdd - 2 
aeth. en arr. gevonden wordt. 

Alleen de laatst aangevoerde plaats zou op eene nauwe 
verwantschap van den codex Curetouianus met latere 
vertalingen kunnen wijzen, daar de andere hun’ oor¬ 
sprong elders kunnen vinden. Doch die ééne is van zoo 
weinig beteekenis, dat ze ook als vrije vertaling kan 


Digitized by AaOOQle 



41 


beschouwd worden. De versio Philoxeniana toont ’t meest 
overeenkomst met Schaaf. Somtijds vindt men in mar- 
gine overeenkomst met Cureton, maar dan is dit toe¬ 
vallig, b. v. Matth. XXIII: 8, waar Xp/aro? (reWxJsn) er 
bij geschreven is. Zoo ook Luk. XIX: 2, waar Schaaf 
kx) voor fa ffkoótnci weglaat, met zeer gering uitwendig 
gezag. Cur. heeft het, en ’t wordt ook in margine 
hier gevonden, doch dit wordt voldoende verklaard uit 
overeenstemming met eene breede reeks van Grieksche 
codices. 

Yan veel beteekenis voor de verspreiding, die de 
Peshittho-tekst gehad heeft, is de opmerking, dat, 
waar Cureton’s lezingen door Grieksche Hss gesteund 
worden, meestal een breede reeks van latere vertalin¬ 
gen volgt. Men ziet dus uit de latere vertalingen, die 
aan de Syrische ontleend zijn, dat de tekst, die ten 
grondslag lag, volstrekt niet vaststond, maar beurte¬ 
lings door ’t eene, of door ’t andere Grieksche hand¬ 
schrift gesteund wordt, en bij afwisseling met Cur. en 
Schaaf medegaat. 


§ 9. Willekeurige afwijkingen. 

Ten slotte bestaat er nog eene zeer groote klasse 
van varianten, welke we onder geen der vorige ru¬ 
brieken konden brengen, en voor wier ontstaan geen 
grond kan gevonden worden, zooals dat met de overi¬ 
gen ’t geval was. Strikt genomen, behooren dus en- 


Digitized by 


Google 



42 


kele der varianten van § 2 tot deze rubriek; doch 
dit betreft dan slechts die, welke door synoniemen, 
even zuiver ’t Grieksche woord weergeven als de lezing 
van Schaaf. Omdat echter velen, dan eens bij Cur., 
dan weêr bij Schaaf, op een betere vertaling wezen, 
hebben we deze soort in § 2 afgehandeld. 

Om eenigszins een denkbeeld te geven van de tal¬ 
rijkheid dezer afwijkingen, zij gezegd, dat er slechts wei¬ 
nig verzen zijn, waar Cureton’s lezing geheel aan die 
van Schaaf gelijk is. We laten ze hier volgen: Matth. 
1:8, 6, 7, 9, 10, 11, 12; 11:11; 111:8; 1V:25; V:2, 
7, 26, 45; VII: 1, 5; X:41; XI: 13, 17, 26; XII: 30, 
47,49; XIII: 4, 10, 34, 42, 50; XIV : 25; XV: 35; 
XVI: 3, 16, 18, 24, 25; XVII: 21. 26; XIX: 10,13,15; 
XX: 27, 33; XXII: 2, 11, 14, 22, 40,42; XXLI1:9, 
15, 21; Joh. I: 11,40; III: 13; IV: 17, 26; V:31, 37, 
44; VI: 59; VII: 11; VIII: 18; Luk. VIII: 20; IX: 60; 
X: 4, 13; XI:23, 45, 47; XII:10, 17, 21, 32,35; 
XIII: 17; XIV: 27, 34; XV: 9, 20, 24; XVI: 4; XVII: 
30; XVIII: 12; XIX: 16, 17, 48; XX: 4, 41, 43; XXI: 
10, 17. 33; XXII: 4, 19, 32, 50; XXI1I:21, 32, 45; 
XXIV: 40. Dat zijn alzoo juist honderd plaatsen, die 
nauwkeurig overeenstemmen, en nu kan men veilig 
rekenen dat van de overige verzen, die afwijken, } 
louter willekeurige varianten bevatten. Om het over¬ 
zicht gemakkeljjk te maken en den aard er van eenigs¬ 
zins te doen kennen, laten we hier eenige voorbeelden 
volgen naar hunne soorten. 

Hebben we in § 2 gesproken over synonieme woor¬ 
den, hier is de plaats om te handelen over geheele 
zinnen bij Cur., die op hunne wijze ’t zelfde vertolken 
als by Schaaf. Of de overzetting van Cur. is even goed 


Digitized by v^ooQle 




als die bij Schaaf, öf Cur.’s lezing komt minder nauw¬ 
keurig overeen met de Grieksche Hss. Een zeer en¬ 
kele maal slechts zijn beiden onnauwkeurig, b. v. Matth. 
XXII: 19, Joh. VI: 22 en Luk. IX: 22, waar ’t Griek¬ 
sche hï door beiden met („toekomstig” of, vrij 

overgezet, „zal”), vertaald wordt. Doch overigens, 
waar verschil bestaat, is de nauwkeurigheid by Schaaf te 
vinden, behalve in het begin van pericopen of de aanhaling 
van gezegden bij. Een enkele dezer varianten geeft even 
zuiver den zin van ’t Grieksche weder, b. v. Matth. V: 33 
re'ino.x.i K'hsooso rdsarvdt r<d („gij zult geen eed van leu¬ 
gen zweren”) i. p. v. v\èoaosoa , („gij zult niet 

liegen in uwe eeden”), als vertaling van oux imopxfafic , en 
zoo nog enkelen meer. Doch meestal is de lezing van Cur. 
zeer vrij, b. v. Matth. XVIII: 14 rdA 

(„uw vader wil niet”) i. p. v. de letterlijke vertaling van 
’t Grieksche: oux hnv dix^pix innpovQev rcO vxTpóf , die bij 
Schaaf voorkomt. Joh. VI: 33 èuu nrtnW.i 
KlaolaA oen *uo r Ctoax. ^so („want het brood 

Gods daalt uit den hemel en is levend, en wordt aan 
de wereld gegeven”) is geen letterlijke vertaling van 
’t Grieksche o yxp iprog i 7au èeov èrr'iv i xxrxfixlvuv ix rov 
oupxvoü xx) £aijv S<S«u? rep xÓ 7 ,ucü. Luk. XXIII: 12 wordt 
bij Cur. gelezen: >wa è\am küscu oms enso 

.aam cecO^La\ oo.ioicn („en op dienzelfden 

dag ontstond er verzoening tusschen Herodes en Pila- 
tus, die vijanden waren”), terwijl Schaaf de letterlijke 
vertaling van ’t Grieksch heeft. Voorbeelden van deze 
soort zijn in overvloed te vinden. Dezen echter mogen 
volstaan om den aard er van te leeren kennen. 

Ten andere betreffen deze afwijkingen de volgorde 
der woorden, b. v. Matth. XI: 5: ^isuèioea réi&öcno 


Digitized by v^ooQle 



44 


redi_A_stio („en den armen wordt ’t evan¬ 
gelie verkondigd, en de dooden staan op”) terwijl „en 
de dooden staan op” vooraf dient te gaan, zooals 
bij Schaaf. Soms betreffen ze verschil in volgorde van 
geheele verzen, b. v. Luk. XXIII, waar met Schaaf 
en de Grieksche Hss. vergeleken in deze orde volgen 
vs. 16, 18, 19, 17, 20. 

Ook is vaak de zinbouw veranderd en b. v. de oratio 
directa in indirecta omgezet, b. v. Matth. XIII: 21, 
waar K'i.n-*- coA è\_iAi A.^jsao („en omdat hij geen 
wortel heeft”) staat i. p. v. „doch hij heeft geen wor¬ 
tel”, zooals de vertaling van Schaaf’s lezing luidt. 

Somtijds is de invloed van meer of minder parallele 
plaatsen, op ’t geheugen des vertalers merkbaar, b.v. Matth. 
UI: 16, waar van den Geest gezegd wordt: ,cooLt. 

(„en Hjj bleef op Hem”) i.p.v. «cncJL. A'èxrrf» („en Hij 
kwam op Hem”). Duidelijk speelt hier den vertaler of 
afschrijver Joh. 1:32 in ’t hoofd J ). Zoo kan ook de 
oorzaak, dat we Joh. IY: 52 o*x.&\a i. p. v. .^ua 

'jiLx. („op de negende” i. p. v. „op de zevende ure”) lezen, 
hierin gelegen zijn, dat den vertaler of afschrijver Joh. I: 
40 ter kwader ure voor den geest stond. 

Eene bekende zaak is de afwijking van den aanhef 
der pericopen in de Grieksche handschriften. Het is 
licht te verklaren, dat men daaraan — als niet eigen¬ 
lijk het woord Gods — weinig waarde hechtte. Dit 
verschijnsel doet zich veelvuldig voor, als men Cureton’s 
fragmenten met de lezing van Schaaf vergelijkt. Meestal 
is Schaaf dan in overeenstemming met de beste, of met 
alle Grieksche Hss., en treft men de grootste vrijheden 


1) Misschien ook heeft hjj hier docetisme willen vermeden. 


Digitized by 


Google 



45 


bij Cur. aan. Matth. II: 1 b. v. heeft Schaaf in over¬ 
eenstemming met de Grieksche Hss. .va, terwijl 
Cur. .vao („en toen”) heeft. Matth. VIII: 5 heeft Schaaf 
terecht: „toen Hij nu inging in Kapernaum”, en Cur. 
;ócuxiv&a\ Aa. » ^Aoo iia („daarna, toen Hij inging 
in Kapernaum”). 

Ook strekt zich dat uit tot het inleiden van gezegden 
of antwoorden b. v. Matth. XIV: 16 ^__©ciA vsanrt» („en 
Hij zeide hun”) i. p. v. „hij nu zeide hun”. Matth. 
XVI: 2 vso»* '•.i oco („Hij nu zeide”) i. p. v. „Hij nu 
antwoordende zeide”. 

Evenwel meene men niet, dat de gewone lezing van 
de Peshittho altijd of nagenoeg altijd aan de Grieksche 
Hss. gelijk is. Ook daar zijn vaak afwijkingen, b. v. 
Matth. XVII: 17, waar Cur. ^ocn -1 v-so»<b („en hij 
zeide hun”) en Schaaf vsaKb („en hij zeide”) heeft, 
terwijl alle Grieksche Hss. ivoKpiêeU en velen ook 'u<rov$ 
er bij hebben; Joh. VI: 58, waar Cur. .a.ax* ^ooA isor*’ 
(„Jezus zeide hun”) en Schaaf .a.ox» ^ ocrA vsareb („en 
Jezus zeide hun”) leest, terwijl alle Grieksche Hss. ihrev 
cïiv xvtoTs o 'i wout hebben; Luk. XV: 11, waar alle Griek¬ 
sche Hss. slechts hebben: elrev li, terwijl Cur. Kbco vsor^ 
•=jo4» ^octA („Hij zeide hun ook”) en Schaaf rctoco vsoKto 
•a-ot. ooè» ^ocrA („En Jezus zeide hun ook”) leest. 

Toch worden bij Cureton verreweg de meeste afwijkin¬ 
gen van deze soort gevonden, maar staat het getal hier¬ 
van bij Schaaf daar verre bij achter. 

Hoogst zelden komt Cur.’s lezing in ’t begin van pe- 
ricopen — wanneer er verschil bestaat met die bij 
Schaaf — met Grieksche Hss. overeen, b. v. Matth. V: 
1, waar Cur. ^..v k'u» .va („Toen Hij nu zag”) heeft, 
dat als letterlijke vertaling van ’iSw lc kan gelden, ter- 


Digitized by 


Google 



46 


wjjl Schaaf er ’i wove bij voegt, dat echter — blijkens Ti- 
chendorf — nergens steun vindt. 

In verreweg de meeste gevallen dus bespeuren we in 
de inleiding van pericopen en gezegden bij Cur. de meeste 
afwijkingen. Enkele malen wijken Cur. en Schaaf bei¬ 
den van de Grieksche Hss. af; en zeer zelden komt 
Cur. daarmêe overeen en is de afwijking bij Schaafs 
lezing te zoeken. 


Digitized by <^.ooQLe 



II. 


De waarde dier Evangeliën voor de vaststelling van 
den tekst der Pcshittk 


Grootelijks heeft men de waarde der evangeliën¬ 
fragmenten van Cureton overdreven. Cureton zelf ging 
daarin voor en bezorgde er een kostbare uitgave van, 
met voorbericht en letterlijke vertaling in ’t Engelsch. 
J. R. Crowfoot, S. T. B. bracht ze in ’t Grieksch 
over met opgave van de afwijkingen der lezingen van 
Schaaf in ’t Syrisch en van Seholz in ’t Grieksch. 
Aan ’t slot van zijne overzetting gekomen, dankt hij 
God, „qui haec fragmenta Evangelica, quasi in speculo 
pervetusto retenta, servavit ut ad versus scribarum 
incuriam atque criticorum sedulitatem necnon haeresis 
depravationes veri textus testes adhuc exstarent”. Maar 
dat deze fragmenten getuigen van den waren tekst 
zijn is een uitspraak, die moeielijk te bewijzen is. Als 
men toch eenvoudig vraagt naar het „waarom?” dan 
geven nöch die fragmenten, nöch Rev. Crowfoot daarop 
een antwoord. In de derde aflevering dan ook van 


Digitized by AaOOQle 



48 


zijn werk, „Observations” op de voorafgaande verta¬ 
ling bevattende, verklaart Crowfoot, dat het duidelijk 
is, dat ter volledige herstelling van den tekst des 
Nieuwen Testaments de bouwstoffen nog bij lange na 
niet voldoende zijn (p. 34). Het schijnt dus, dat, al 
bedoelde hij met „veri textus testes” niet de getuigen 
van den waren, maar voor den waren tekst, Crow¬ 
foot in deze fragmenten belangrijke bouwstoffen voor 
de vaststelling daarvan meent te vinden. 

Met dit resultaat nu kunnen we volstrekt geen vrede 
hebben. Wel bevat Cur. hier en daar een lezing, die zich 
aanbeveelt boven die van Schaaf, maar deze lezing kennen 
we toch reeds uit codex D of uit de handschriften der 
Itala. Daartegenover staat, dat Cureton’s lezing vaak 
zóó vrij is , dat ze in geen enkel Grieksch hand¬ 
schrift of andere vertaling teruggevonden wordt. En 
op ’t tegenwoordig standpunt der Nieuw-Testamenti- 
sche critiek zal men moeielijk geloof vinden, als men 
deze lezingen voor „veri textus testes” wilde laten 
gelden. 

Het is dus van belang, dat we deze evangeliën-frag- 
menten op de rechte waarde leeren schatten. De uit¬ 
gave er van heeft de eenheid van lezing in de Peshittho, 
die men door onbekendheid met de handschriften stil¬ 
zwijgend onderstelde, grootelijks gestoord. Men heeft 
daarom zich ook reeds de vraag gesteld of deze codex 
misschien een zelfstandige vertaling behelsde, en al¬ 
lerlei andere pogingen aangewend om de verhouding 
tot de gewone lezing der Syrische vertaling te ver¬ 
klaren. 

Hetgeen wij, op grond eener nauwkeurige collatie, 
over deze vraag kunnen zeggen, laten we voorafgaan 


Digitized by 


Google 



door de bespreking van twee vragen, wier beantwoor¬ 
ding ons, naar ik vertrouw, eenig licht zal verschaffen. 

1. Hebben we hier aan één of aan meer¬ 
dere vertalers te denken? Men zou kunnen mee¬ 
nen, dat meerderen hieraan gearbeid hadden, als men 
met Cur. aannam, dat het Matthaeus-evangelie een ander 
taaleigen vertoont dan de overige. Cur. had deze stel¬ 
ling noodig om te bewijzen, dat het evangelie van Mat- 
thaeus, ook blijkens ’t taaleigen, niet uit het Grieksch 
vertaald is. Maar bewijzen geeft hij er niet voor, 
en een aandachtige lezing dier evangeliën leerde het 
ons niet. Dat synoniemen onderling verwisseld wor¬ 
den (§ 2) kan toch ook het werk zijn van één, die 
eenvormigheid wilde vermijden. Een vast systeem is 
er niet in te ontdekken. Joh. YI: 4 heet het Pascha 
en Luk. XXH: 15 Het eerste is blijk¬ 

baar meer in overeenstemming met ’t Grieksche 
en het tweede met ’t Hebr. riDÖ. De laatste schrijfwijze 
is de meest gebruikelijke, en de eerste kan ontstaan 
zijn uit de zucht van een afschrijver, om ’t woord meer 
met het Grieksch in overeenstemming te brengen '). Ook 
dit voorbeeld en dergelijke dus leeren ons dienaan¬ 
gaande niets. Prof. Hermansen 1 2 ) heeft opgemerkt, dat 
sommige Hoofdstukken in Lukas’ evangelie ’t meest 
afwijken van de Peshittho en de Grieksche Hss. Even¬ 
wel bespeurt hij in woordenkeus, gebruik van vormen 
en in volgorde te veel gelijkheid, om hier aan een 
anderen vertaler te denken. Hij verklaart het uit de 


1) Over soortgelijke waanwijsheid klaagde reeds Jakob van Edessa in 
zjjn brief aan Georgius, bisscbop van Sarug. 

2) Disputatio de Codice Evang. Syriac. a Curetone typis descripto”, 
Hafniae 1859. pag. 5. 

4 


Digitized by v^ooQle 



50 


omstandigheid, dat Lukas beter Grieksch schreef en dus 
zijn werk moeielijker in een Semietische taal is over 
te zetten. 

Er is dus niets, wat ons noopt om aan ’t werk van 
meerdere vertalers hier te denken. 

2. Is deze arbeid een zelfstandige verta¬ 
ling, onafhankelijk van de gewone lezing? Ook 
deze vraag heeft Prof. Hermansen zich gesteld; en er 
is alleszins reden voor. De afwijkingen zijn groot en 
menigvuldig, de woordenkeus komt zóó zelden overeen, 
dat men licht meenen zou, dat Cureton en de meerbe¬ 
kende Syrische vertaling zelfstandige pogingen zijn om 
den Griekschen tekst te vertolken. Een bezwaar tegen 
deze opvatting zijn de honderd verzen, § 9 genoemd, 
welke letterlijk overeenstemmen. Men zou dat wel aan 
toeval kunnen toeschrijven, maar het getal is hiervoor wel 
wat groot. Veel waarschijnlijker is de meening, dat ze 
niet geheel onafhankelijk van) elkander zijn ontstaan; 
een meening waarvan de nadere ontwikkeling volgt. 

In een’ tijd, toen men met den inhoud tevreden 
was en het leerstuk van de theopneustie der H. Schrift 
nog niet zoo scherp belijnd was, moet de vertaling der 
evangeliën van Cureton ontstaan zijn '). Van de Tar- 
gumim des Ouden Testaments leert men, dat ze voort- 

1) Ook Joliannes van Ephesus gaat in de aanhalingen des Bijbels zeer 
vrjj te werk, vaak zóó vrij dat men met geen concordantia te weten 
kan komen, op welke plaats de auteur ’t oog had. Voorbeelden daar¬ 
van kan men vinden in de Anecdota Syriaca, ed. J. P. N. Land, Lugd. 
Bat. 1868, Tom. II, pag. 28 en 370 enz. Vooral pug. 28, waar een 
citaat voorkomt, dat ons doet donken aan Ps. 111:10, Spr. 3:13, 
Pred. 7 vs. 28, en dat toch nergens zóó voorkomt. Duidelijk is het dat 

Joliannes van Ephesus de uitdrukking jlo (»zooals 

geschreven is” enz,) dikwpls bezigde, maar dat zpn geheugen hem soms 
in de war bracht. 


Digitized by CaOOQle 



51 


gekomen zijn uit de mondelinge overzetting van het 
Hebreeuwsch in de synagogen bij de voorlezing der 
Schrift. Ook deze fragmenten geven ons den indruk 
van zóó ontstaan te zijn. Het zou niet onmogelijk 
zijn, dat — zooals ’t heden nog in de Roomsch Ka¬ 
tholieke kerk bij de prêek gebeurt, waar eerst de La- 
tijnsche tekst der Vulgata voorgelezen, en daarna 
vertaald en verklaard wordt — de vertaling in de 
landstaal, althans hier en daar in de Syrische Chris¬ 
tenheid, met de verklaring volgde op de voorlezing 
van het Grieksch. Vele toevoegselen en verklaringen 
zouden daaruit kunnen worden opgehelderd. Moet 
men echter aannemen, dat het ’t werk is van op¬ 
zettelijke studie, dan zal men moeten toegeven, dat de 
vertaler niet naar letterlijke overzetting streefde; en om 
de verspreiding, die aan deze redactie blijkbaar is te 
beurt gevallen, zal men moeten bepalen, dat zij ont¬ 
staan is in een tijd, toen men ook in ’t algemeen 
daarnaar niet vraagde. 

Er schijnt een tijd geweest te zijn, waarin, om wel¬ 
ken reden dan ook, de lezingen van codex D en die der 
Itala in ongenade gevallen en door anderen verdron¬ 
gen zijn. Die andere lezingen (§ 8) worden gevonden 
in Hss. der vierde eeuw en later; en waar codex 
D afwijkt, wordt hij gesteund door de oude Latijnsche 
vertaling uit de tweede eeuw. Men kan dus zeggen 
dat codex D met al wat daarmee samengaat, zoo on¬ 
geveer den gewonen tekst des N. T. van vóór de vierde 
eeuw vertegenwoordigt. Ook uit het groote toe¬ 
voegsel achter Matth. XX: 28 (§ 4) blijkt, dat codex 
D moet zijn geschreven in een’ tijd, toen men zich nog 
niet door ’t leerstuk der theopneustie verhinderd achtte 


Digitized by 


Google 



52 


zoo iets in te lasschen. Met dezen codex nu (en dus 
ook met de Itala) gaan Cureton’s evangeliën merkwaar¬ 
dig samen. Omdat ze meer vrij zijn in ’t wêergeven van 
’t Grieksch (§ 2 en 9), alsook om de talrijke toevoegsels, 
’t gebruik van ’t overoude v\o\cn, enz., blijken ze oud 
te zijn. De gewone lezing der Peshittho gaat samen 
met die Grieksche Hss., welke niet zoo sterk door de 
aloude Latijnsche vertaling gesteund worden. We mee¬ 
nen dus daarin een lateren arbeid te zien en vat¬ 
ten in ’t kort te zamen het oordeel over ’t ontstaan 
der Syrische bijbelvertalingen, zooals Cureton’s frag¬ 
menten, in vergelijking met de gewone lezing, ons dat 
leeren. 

Men is begonnen — evenals bij de Targumim — met 
een overzetting in de landstaal voor praktisch gods¬ 
dienstig gebruik. Dit kan mondeling geschied zijn in 
de kerkelijke samenkomsten, of ook de arbeid zijn 
van een’ geleerde, die er zich toe gezet heeft. In alle 
gevallen eischte dit doel geen letterlijke overeenkomst 
met het Grieksch. Zelfs zag men er geen bezwaar in, 
om dogmatische redenen veranderingen aan te bren¬ 
gen (§ 5)'). Cureton l 2 ) heeft opgemerkt, dat in gram- 
matikale verschillen de oudste codices der Peshittho 
’t meest naderen aan de lezingen der evangeliën, door 
hem ontdekt. Langzamerhand kwam men tot het in¬ 
zicht dat de Syrische vertaling beter moe3t beantwoor- 


1) Niet volledig is, wat Dr. W. H. van de Sande Bakhuyzen zegt 
(Toepassing van de Conjecturaal-kritiek op den tekst des N. T. Haarlem 
1880, bl. 8): »Ik boud mij zelfs overtuigd, dat geen van die schrijvers 
zich op eene voor de dogmatiek belangrijke plaats eene conjectuur zou 
veroorloofd hebben/’ Dit moge van afschrijvers der Grieksche Hss. gel¬ 
den, in onzen codex zijn ze wel aangebracht. 

2) In zjjn Prefhce voor de uitgave van onze fragmenten, page LXXIII • 


Digitized by 


Google 



53 


den aan het oorspronkelijke Grieksch. Daarop is men 
aan het verbeteren gegaan. Zeer veel zal daartoe zeker 
Jakob van Edessa (+710) hebben bijgedragen. Althans 
hij klaagt in zijn meer gemelden brief aan Georgius, 
bisschop van Sarug, over de afschrijvers en geeft rege¬ 
len, welke ze bij het vervaardigen van afschriften der 
Heilige Schrift hebben in acht te nemen. Het is dus 
hoogst waarschijnlijk, dat deze godgeleerde niet onver¬ 
schillig is geweest voor de ware vertaling uit het 
Grieksch in het Syrisch. De lezingen van den gewonen 
tekst der Peshittho bij Schaaf naderen ’t meest aan de 
handschriften der 4 e eeuw, die de ouderen verdrongen 
hebben. Nu is het mogelijk dat Jakob van Edessa de 
vertaling van Philoxenus (508) en de collatie van Tho¬ 
mas van Charkel (616) gekend heeft. Evenwel behoeft 
hij ze niet gevolgd te hebben. Zeker is het, dat we 
eerst met hem en met Philoxenus en Thomas van Charkel 
vasten bodem krijgen voor de kennis van den Peshit- 
tho-tekst. Het is op lange na niet onwaarschijnlijk, 
dat de lezingen der Philoxeno-Charklensis te gedwon¬ 
gen zich aan ’t Grieksch aansloten en daarom ’t meest 
afweken van de gangbare handschriften, en dat in 
Jakob’s tijd en door zijn toedoen eene lezing in omloop 
kwam, die zich beter aan ’t Grieksch aansloot, en 
toch zooveel mogelijk de bestaande vertalingen eer¬ 
biedigde. 

In alle gevallen is zeker, dat men een vaststaanden 
tekst der Peshittho niet te vroeg moet stellen. Reeds 
is opgemerkt dat vele lezingen van Cureton’s evange¬ 
liën teruggevonden zijn in oude Syrische Hss. Ook de 
codex Guelpherbytanus en de Coloniensis stemmen vaak 
daarmede samen. Dan verdient opmerking de overeen- 


Digitized by 


Google 



54 


komst met de citaten in de homiliën van Aphra&tes 
(zie Aanhangsel II). De Philoxeniana (behalve eenige 
kantteekeningen) stemt meestal met de gewone lezing 
der Peshittho overeen. Dit kan daaruit verklaard wor¬ 
den, dat deze vertaler een’ Griekschen codex had, die 
niet met D enz., maar met de anderen samenging. 

Ons resultaat komt derhalve hier op neêr. Voor 
den Griekschen tekst der evangeliën in ’t algemeen , 
levert Cur. niets op, daar alle varianten van eenig be¬ 
lang ook elders in Grieksche Hss. gevonden worden. 
Yoor de bepaling van den tekst der Peshittho leeren deze 
varianten: 1» dat nog in de laatste helft der 5 e eeuw 
na Chr., toen deze codex geschreven moet zijn, lezin¬ 
gen als die van Cur., welke zoo zeer afwijken, lezers 
konden vinden. 2° Dat deze of soortgelijke lezingen bij 
Aphra&tes, die het concilie van Nicaea (325) beleefde, 
in gebruik zijn geweest. 3° Dat de overige Hss. der 
Syrische evangeliën van ’t Britsch Museum, naarmate 
ze ouder zijn, meer aan onze lezingen naderen. 

Al deze redenen doen ons onderstellen een door¬ 
gaande correctie der Syrische bijbelvertalingen naar 
’t oorspronkelijke. De Philoxeno-Charklensis is een be¬ 
wijs, dat men daaraan behoefte gevoelde. Jakob van 
Edessa heeft dit werk misschien voltooid en tot de 
vaststelling van den tekst veel bijgedragen ■). 

Zeker is dat ’t niet aangaat van een lezing der Pes¬ 
hittho als getuige voor den tekst der 2 e eeuw te 

1) Men zal lichtelijk begrjjpen, dat deze beschouwing geheel in strijd 
is met de redeneering van prof. Hermansen (in zijn boven aangehaalde 
di8putatio). Deze geleerde stelt, dat »de Peshittho” geschreven is vóór 
200, verder oordeelt hy: Cureton's lezingen zyn ouder, dus ongeveer 150 
ontstaan. Men zal na al ’t voorgaande gemakkelijk inzien, hoe weinig 
vaste grond er voor deze redeneering bestaat. 


Digitized by 


Google 



55 


gewagen. Als ik door de bespreking van Cureton’s 
evangeliën fragmenten slechts heb aangetoond, dat de 
Syrische bijbelvertalingen een geschiedenis hebben ge¬ 
had, en dat de vaststelling van den tekst zekerlijk niet 
te vroeg mag gesteld worden, dan reken ik mijn moeite 
beloond. Yoor ’t overige onderschrijf ik met hoogach¬ 
ting ’t woord van den kardinaal Wiseman: „Ego iudi- 
cium non fero: dubia moveo, causam agitó, testes 
advoco; me vero tyronem prorsus et in his studiis 
novum hominem Praetorem non constituo”'). 

1) Wiseman, Horae Syriacae, p. 138. 


Digitized by AaOOQle 



Digitized by LaOOQLe 




AANHANGSEL I. 


Het opschrift boven het Evangelie van Matthaeus 
bij Cureton. 


Terwijl boven de evangeliën van Markus, Johannes en 
Lukas eenvoudig staat ooctaisoi („Evangelie 

van Markus”) enz., en de doorloopende titel van Mat¬ 
thaeus ook slechts is »Acsos ^oA^iars' („Evangelie van 
Matthaeus”), vindt men bij ’t begin daarvan het op¬ 
schrift: ibvso Klz.iaso .1 ^oA^orc' 1 ). Dit opschrift nu 
gaf aanleiding tot groote moeielijkheid in de vertaling. 
Cureton wendde zich tot Dr. Bemstein om verklaring 
er van, doch lichtte hem verkeerd in, door te schrij¬ 
ven, dat er een .1 vóór ,èeo weggevallen was. Bem¬ 
stein verwees hem naar de Bibliotheea Orientalis, T. 
II, pag. 280, waar Assemani rtLg.H-&-sw gelijk stelt 
met ivxyvü<r(txT », en vertaalde het: „Evangelium per 
anni circulum dispositum”. Met deze verklaring nu 
kon Cureton zich niet vereenigen om de alles af¬ 
doende reden, dat dit evangelie volstrekt niet in zulke 
xvxyvüapxTx verdeeld was. Hij verwierp haar dan ook 

1) Zie Catalogue of the Syriac Man user. in the Brit. Mus. by W. Wright, 
L. L. D. 1870, pag. 73 en 74. 


Digitized by AaOOQle 



58 


ên vertaalt nu zelf: „The distinct Gospel of Matthew”')• 
Hoe Cureton dit uit de bovenvermelde Syrische woor¬ 
den kan afleiden, is mij niet recht duidelijk. In deze 
vertaling toch komt de .1 vóór r^ix-iaso niet tot zijn 
recht. Het komt mij voor, dat de geliefkoosde stelling 
van Cureton, dat dit evangelie niet xrit ’t Grieksch ver¬ 
taald, maar gebaseerd is op een oorspronkelijk Ara- 
meesch geschrift, hem tot deze onverdedigbare verta¬ 
ling heeft geleid. Aan het slot toch van deze bespreking 
voert hij zijn vertaling van ’t opschrift aan als een be¬ 
wijs voor die stelling ). 

In meergemelde beschrijving van onzen codex in den 
Catalogus van ’t Britsch Museum leest men, dat door 
vochtigheid eene opening ontstaan is vóór ,èoo. Cureton 
meende dat een .1 daar weggevallen was. Evenwel 
leert een nauwkeurige beschouwing — ook volgens Dr. 
Wright — dat er voor die letter geen plaats is 1 2 3 ). Zoo 
ook oordeelt Dr. H. Gildemeister, die er een studie over 
leverde 4 ). Hij vat ’t woord r<lr.iaso op als epitheton 
van ,Acso, en vergelijkt het met een titel, die Matthaeus 
in de Oostersche kerken droeg, ^kaji geljjk aan 
a<puptff(iivo$ (verg. Rom. 1:1). 

Deze opvatting verdient de voorkeur boven die van 
Bemstein en Cureton, omdat ze rekening houdt met 
’t ontbreken van de .1 vóór ,béo. Evenwel bevredigt 
ze niet geheel. In den Catalogus van Britsch Mu¬ 
seum pag. 116, noot, schrijft Dr. Wright, van eenige 

1) Zie Preface der uitgave dezer evang.-fragmenten, pag. VI. 

2) Preface, pag. VI. 

3) Gemakkeljjk kan men de waarheid van dit beweren narekenen 
door een oog te slaan op een facsimilé van deze betwiste plaats in de 
Anecdota Syriaca, ed. J. P. N. Land, pars I, Tabula B, N°. 1. 

4) Zeit8chrift der Deutsche Morgenl. Gesellsch., XIII, Seite 472 vlg. 


Digitized by 


Google 



opschriften boven psalmboeken: „The word rdx.H-a_sos 
seems here really to mean „of the interspreters” or 
translators”. 

Het staat vast, dat er vóór *Aoo voor de n geen plaats 
is, of ’t moet een later aangebrachte correctie zijn, 
’t geen in het eerste opschrift van zulk een net geschre¬ 
ven evangeliën-boek niet te verwachten is. Daaruit 
volgt, dat men met Dr. Gildemeister ’t woord 
moet opvatten als bij behoorende. De vraag is 
dus nu nog slechts of de vertaling door Dr. G. gege¬ 
ven kan aanvaard worden. 

Het is mogelijk dat rdr-i-a-so de Syrische vertaling 
van is. Dr. Gildemeister geeft voor ’t gebruik 

van den Arabischen naam eenige bewijsplaatsen. Doch 
dit is geen klemmend bewijs, dat ’t Syrische woord 
hetzelfde zou beteekenen en in die beteekenis hier zou 
gebruikt worden. 

Het komt ons voor, dat ’t wel een epitheton is bij 
Matthaeus behoorende, doch niet als standvastige bij¬ 
naam, maar hem kenmerkende in zijn verhouding tot 
dit evangelie. 

Zoo wordt in de opschriften der evangeliën bij Schaaf 
wel degelijk onderscheiden tusschen Matthaeus en Jo- 
hannes ter eene, en Markus met Lukas ter andere 
zijde. Het werk der beide eersten wordt k&g\gt_a 
( jojpuy^*) en dat der anderen („ evangelie ”) 

genoemd. Dientengevolge heeten Markus en Lukas in 
diezelfde opschriften ook rdi'-iaooea („evangelisten”), ter¬ 
wijl Matthaeus k&jlAx. („apostel”) en Johannes 
(kwu%) genoemd worden. 

Een dergelijke aanwijzing schijnt in ’t woord rdx.vaao 
te schuilen. Meer gewoon zou ’tzijn, als er r£ix.i&a> 


Digitized by AaOOQle 



60 


stond, omdat de uitgang „ana” een blijvende eigen¬ 
schap of een ambt aanduidt. In verband evenwel be¬ 
schouwd met de mededeeling van Dr. Wright(pag. 116 
van den Catalogus van ’t Britsch Museum), durven we 
’t hier over te zetten door „uitlegger”. Het zou kun¬ 
nen zijn, dat men aan Matthaeus dezen titel gaf in 
onderscheiding der andere evangelisten, omdat hij, meer 
dan de anderen, het Oude Testament aanhaalt en ver¬ 
klaart in zijn evangelie. In een tijd, waarin velen de 
allegorische verklaring des Ouden Yerbonds huldigden, 
moet Matthaeus onder de evangelisten wel hebben uit¬ 
geblonken als de uitlegger bij uitnemendheid, door 
Jezus zelf tot het apostelschap geroepen. 

Wij ontveinzen ons niet dat aan deze verklaring 
bezwaren zijn verbonden. Voor ons staat alleen vast 
dat ’t betwiste woord bij behoort. De beteekenis, 
die wij er aan hechten, moge dan niet onomstootelijk 
vast staan — naast de vroeger gegevene heeft ze aan¬ 
spraak op eene plaats en beveelt zich in vele opzichten 
boven die andere aan. 


Digitized by 


Google 



AANHANGSEL II. 

De aanhalingen uit de Evangeliën bij Aphra&tes. 


Om aan te toonen, dat de Curetonsche Evangeliën 
niet geheel op zich zelf staan, maar eene recensie van 
den Syrischen tekst vertegenwoordigen, is het van be¬ 
lang na te gaan, of we ook elders sporen daarvan 
kunnen ontdekken. 

De vertaler van de „Theophania” van Eusebius schijnt 
dezen tekst gekend te hebben '). Ook Aphra&tes, de 
Perzische wijze, die in den tijd van het concilie van Nicaea 
(325) leefde, toont met deze recensie bekend te zijn. 
Het is daarom van belang een onderzoek over deze zaak 
in te stellen. In zijne Homiliën *) haalt Aphraates tel¬ 
kens bijbelplaatsen aan. Verreweg de meeste evangelie¬ 
teksten stemmen grootelijks met de lezing van Cureton 
overeen. Men houde echter in ’t oog dat hij veelal uit 
’t geheugen blijkt geciteerd te hebben. Dit vinden we 
ook bij Johannes van Ephesus (6 e eeuw) 1 2 3 ). Daardoor 

1) Zie J. R. Crowfoot, Ob^ervations on the collation in Greek of Cu- 
reton’s Syr. Fiagm. of the Gospels, 1872, Introduction page 4. 

2) The Homilies of Aphraates, ed. W. Wright, London, 1869, 

3) Anecdota Syriaca II ed. Land. 


Digitized by AaOOQle 



62 


Worden parallele plaatsen veelal dooréén gemengd. Zoo 
vindt men vele aanhalingen, die zóó vrij zijn, dat ze 
gelijkelijk van Cureton en Schaaf afwijken. Pagina 
b. v. vindt men Joh. 1:17 geciteerd: rtfooceon cniix..i 
pctocn :ua („de waarheid der wet is door Jezus 

geworden”) eene lezing, die ook door geen enkel Grieksch 
Handschrift gesteund wordt. 

Op ongeveer 12 plaatsen komt Aphraates’ lezing met 
die van Schaaf overeen, in afwijking van Cur., b. v. 
Joh. XIV : 23, waar Cur. rdirs' rs&lW], Schaaf 
en Aphr. <^è\rc' lezen. Luk. XV: 8 heeft Cur. 

redus KlxjAo, terwijl Schaaf en Aphr. k&us rdsaio 
hebben. 

Tegenover deze weinige plaatsen staan er wel 30, 
waaruit duidelijk blijkt, dat de tekst, dien hij bezigde, 
’t meest met de redactie van Cureton overeenkwam. Het 
geslachtsregister in Matth. I komt in deze homiliën, ook 
wat de schrijfwijze der namen betreft, met Cureton over¬ 
een. Ook «dx. (verg. Ruth. IV : 20, Pesh.) i. p. v. ^ cvaA tp. 
De dogmatische verandering (zie § 6) in vs 16 heeft 
dezelfde bedoeling, doch luidt bij Aphr. rrtaWx oav» 
toaftai^ &OOCV» jinixrc'o kAAo&xs 'p*XZ3 (*de 

zoon van God, die geboren is uit de maagd Maria, en 
Jozef werd zijn vader geheeten”). Matth. V: 39 is bij 
Aphr. gelijkluidend met Cur., behalve dat Cur. voor een 
onduidelijke woord uit den gewonen tekst heeft ingevoegd: 
[r^i.°krc > ], terwijl waarschijnlijk ai-o met Aphraates 
moet gelezen worden. Luk. XIX : 8 stemt in deze homi¬ 
liën met Cur. overeen, terwijl Schaaf’s lezing zich door 
eene andere woordenkeus onderscheidt. Luk. XXHI: 43 
komt tweemalen geciteerd voor, en terwijl Schaaf ’t 
vreemde woord heeft, vindt men bp Aphr. en Cur. 


Digitized by 


Google 



63 


.ju*. 4u\. Zeer sterk is de overeenkomst Lnk. XIX: 
44. In § 2 deelden we mede hoe bij Cur. TOV KXipOV 
rilt siri7>toT<rcv vertaald is door Ktsocv*. Deze 

eigenaardig afwijkende vertaling nu komt in een vrije 
aanhaling ook bij Aphraates voor. 

Zelfs strekt deze overeenkomst zich soms tot kleinig¬ 
heden uit, b. v. Matth. XXII: 32, waar Schaaf nAnW© 
en Cur. met Aphr. k'ctAk' rrtno hebben. Met Codex D, 
r, © b * n enz. leest Cur., Matth. XXIII: 7, tweemalen 
►ai; ook Aphraates heeft dit. In vs. 8 is in margine 
bij Aphr. rcWy-so bijgevoegd. Daardoor is dit citaat 
gelijk aan Cureton’s lezing, doch ’t kan ook een ver¬ 
betering zijn op grond van Grieksche Hss. of uit ’t ge¬ 
heugen aangebracht. 

Ons resultaat laat zich hierin samenvatten, dat, 
behalve tal van vrij geciteerde plaatsen en vermenging 
van parallele plaatsen, de overgroote reeks van aanhalin¬ 
gen meest met Cureton’s lezing overeenkomt. Die over¬ 
eenkomst is vaak letterlijk, doch op lange na niet altijd. 
Al brengt men nu daarbij in rekening het aanhalen uit 
’t geheugen, dan blijft toch nog een aantal plaatsen over, 
wa r Aphraates in afwijking van Cureton met Schaaf 
overeenkomt: De tekst dus, welke Aphraates ten dienste 
stond, moet geweest zijn een, die grootelijks, doch niet 
geheel, met Cureton’s codex overeenstemt. 

Aphraates leefde in een’ tijd toen de tekst van het 
Nieuwe Testament, ongeveer door codex D met den 
aankleve van dien vertegenwoordigd, heerschende was. 
Yan daar dat we bij hem en bij den vertaler der 
Theophania van Eusebius (laatste helft der 4 e eeuw)') be- 

1) Een codex daarvan is , blijkens een onderschrift, in December 411 
geschreven. 


Digitized by 


Google 



64 


kendheid met een dergelijke recensie vinden. De vast¬ 
stelling en algemeene vèrspreiding dus van den tekst 
der Peshittho, zooals ze thans ’t meest bekend is, moet 
dus niet te vroeg gesteld worden; waarschijnlijk eefrst 
nadat de andere Grieksche codices de ouderen verdron¬ 
gen hadden. Dit alles wijst ons dan weêr, zooals 
vroeger is aangewezen, op den bloeitijd van Jakob van 
Edessa en zijn litterarische en theologische studiën. 


Digitized by v^ooQle 



AANHANGSEL III. 


De vermelding van Cureton’s lezingen in 
Tischendorf’s uitgave des N. T. 


Reeds in de voorrede van de editio septima minor, 
Lipsiae, 1859, verklaart Tischendorf (pag. CXY) omtrent 
Cureton’s codex: „Nunc omnia quae supersunt frag- 
menta accurate ad comm. adhibuisse (signo syr cn ) satis 
habeo”. Men vindt dan ook bier en daar in de evan¬ 
geliën de lezingen van dit handschrift vermeld. In de 
editio octava maior, Lipsiae, 1869, zijn de aanwijzin¬ 
gen talrijker. 

Terwijl we bezig waren den apparatus criticus dezer 
laatste uitgave te raadplegen, om te zien, met welke 
Grieksche handschriften de lezingen van Cureton kon¬ 
den samengaan, bespeurden we, dat deze collatie op 
lange na niet nauwkeurig is en dus als getuige voor 
den tekst geen geloof verdient. 

Allereerst bleek ons, dat Tischendorf niet volledig is 
in zjjne mededeelingen. Vaak vermelden de aanteeke- 
ningen de kleinste afwijkingen en die, welke ’t minste 

van beteekenis zjjn, b. v. in den aanhef van pericopen. 

e 


Digitized by t^ooQle 



66 


Evenwel is er geen systeem in te ontdekken. Omdat 
nu varianten in ’t begin van pericopen menigvuldig 
voorkomen in Grieksche Handschriften en de mededeeling 
der volstrekt willekeurige afwijkingen in deze Syrische 
vertaling niet ’t minste nut heeft, gaan we veel daar¬ 
van stilzwijgend voorbij. 

Om echter te bewijzen, dat Tischendorf, waar hp de 
lezing van Cureton vermeldt, niet nauwkeurig is en 
waar dit getuigenis waarde kon hebben, de vermelding 
verzuimt, laten we hier eenige verbeteringen volgen 
van fouten, in den apparatus criticus gevonden. 

Matth. V: 39 om. Syr. cu lèfrxv ; VI: 1 bij v moet 
ut Tid - geschrapt, daar SoV/? vertaling is van «ftvacnosa, 
dat in Cur. gevonden wordt; VI: 19 om. Syr.«® x») 
(2pw<rn; ; VI: 24 Syr. cu xxfo&jxi , i. p. v. xvi^érxi 

(§3); VI: 32 niet: Syr. cu add. toü xirnov, maar: add. 

y\ïi (rcU-irrti); VII: 14 niet: Syr. cu om. on, maar: 
Syr.®“ rl (n£so); VII: 20 Syr. cu add. ovv (l*Acn); XI: 15 
gyr/n add. xxovsiv (. vwT - *w i); XI : 25 Syr.®' 1 om. xx) avxtrüv’, 
XII: 5 Syr. cn om. iv toï? <ri(2(2xmv‘, XII: 6 Syr. cn add. ÏSov 
(k'co.t); XII: 27 Syr. cu add. ix tSv uiüv vpiüv g »»xs ^so); 
Xin: 46 Syr. cu xx'i svpdv’, (mm.k* s&o); XIV: 14 Syr. ou om. 
èfjixóüv', XIV: 26 Syr. ca xx) 'i'&ivTss xMv (,odokW sao) 
= l.cg 2 vg enz.; XIV: 30 Syr. 60 add. hr%vpóv (ctLuduid 
»<o) ; XVI : 6 Syr. cu om. opire kx) ; XVIL : 7 niet Syr.® 11 : 
Om. iytip. xx) , maar : Syr. cn vjyetpsv xutovs xx) shrev xiroli 
(_octA ^cuk’ yxzor^c)) XVII: 27 Syr.®" add. èxcT 

(poA\); XXIII: 3 Syr.®° audite et facite (^vaax. ^oèuooo 
^.msLoj. Joh. I: 26 , niet: Syr® u om. xiyuv, maar Syr. 00 
eïirev 'xiroU i 'luivvtn (^u>cu ^ octA tsok’); Hl: 22 Syr® n 
exivit (=d) (a&i); IV: 54 Syr. cu om. niur, V: 11 niet: 
Syr. cu ivexpiêv , maar Syr.®” sltsv xiroU L ocn \ tso*); 


Digitized by 


Google 



V: 12 niet: ypc&Twxv sine copnla.Syr. cu ; maar 4 . 

Syr. cu h.eyov ccutci) (oA VI: 19 Syr. cu add. rè vxóïov\ 

VI: 24 Syr* cu xxt é(3>i<rxv (ci&ujj); VI: 30 niet: 
Syr. ca om. ouv, want ovv heeft Syr. cu (l^cn); VI: 68 Syr. cu 
einsv xvtu («A tanO; vn : 29 ook Syr. CQ heeft vxp' «öt$ 
(caèvcA.i); VII: 35 Syr. cu = Gr irpbs «aa> j^ovs (.v*A x*»)- Luk. 
III: 11 Syr. cu xh/ei xvtoTs oo A var^); III: 14 niet: a iyovTts 
Syr.cu om< maar: Syr. cn xsyovTts .(^Tsarc'); IX: 22 Syr. eu 
irptrfivTépuv xx) ypxpiptxTbuv (r^ïSkOsa r^ziis); X: 7 Syr.®" 
rijt rpoCpijt; xvtov (cr>è\irL»oo) i. p. y. tov pol<r6ov‘, XII: 31 
niet Syr. cn sine additam., maar Syr. ca èx irepio-o-ov (sine 
irxvTx ) (i»Au ^39 {Aan); XIII: 5 Syr. cu om. txvtss ; XIV : 21 

Syr. ca <£wA. kx'i xvxir. xx) tvQ A. (r^ardaöAo K'v^ifiala 
K'iaaj»Aa);XVIII: 21 niet: Syr. cu vsótxtos absque pov, maar: 
Syr. c “ 6K TOÜ ilVXl f ( C 16 ‘TTXl'SloV (rdirt' ^so); XIX: 9 

tü olxui, ook Syr.®" praem. èv (reüen 

In deze lijst zijn niet vermeld de afwijkingen 
van onzen codex, gevonden in de fragmenten, welke 
door Dr. Roediger bekend zijn gemaakt (zie Inleiding 
bl. 15). De voornaamste laten we volgen. Joh. VII: 40 
Syr. cu = B D add. on (i); VII : 45 Syr. cu Pharisaei 
(rcüc.Hsi); VII: 52 Syr .CU iyyyeprxi (>fi); VII: 53 ook 
Syr.cu om> pericopam de adultera; VIII: 14 Syr. c “ = N, 
utiv xvroTi b ’iyo’oüp (j^axm ^^©orA tssk'); Luk. XVII: 4 ook 
Syr. ca £7ttxx)p sine additam; XVII: 9 ook Syr. cu om. cv boxü; 
XVII: 11 Txkihxlxi, Syr. ca f&tTxZv "Zx^xpeiTUv xx) TxXHxluv 
eis 'If pi%ü (cujL»i»rcA i<dA^‘ rdisix. èua). 

Onnauwkeurigheden vonden we ook in de vermelding 
der afwijkingen van Schaaf’s lezingen, b. v. Matth. VII: 24 
niet i bftoidxru xvtov .... Syr. 8 ' 11 , want Syr. 8 ® 11 heeft bpccioiiireTxi 
(r^sa.ièu); XIII: 18 Syr tov TcrippcxTop (r^L^ii.i); XIV : 18 
Syr. 8 ® 11 add. 'iwovi achter iiirtv (a.cuc. ^oaA isaf); XIV: 19 


Digitized by v^ooQle 




68 


Syr.sch super terram As*) en niet: super faenum; 

XTV: 30 Syr. 9 ® 11 (en Syr. cu ) add. \e%upiv («lus); XVII *.11 
aan ’t slot der noot niet: Syr.® u et 8ch maar: Syr. 9 ® 11 tv» 
(yA**); XVIII: 19 niet: Syr. 8ch „etamen”,maar: 
Syr. 9 ® 11 7t»xiv (jso è\); XVIII : 33 Syr. 9 ® 11 ovx eSsi si 

psbco «do). Luk. X:29 niet: Syr. ca maar: Syr. 9 ®* 1 
„ad eum” (wA); Cur. heeft a.azA. XV: 25 niet Syr. 9 ® 11 
om. k»), maar: „audivit vocem concentus multorum” 
r^iaot da Aaa). 

Omdat men dus de vermelding, zoowel van Cureton’s 
als van Schaaf’s lezingen, in de noten van Tischen- 
dorf niet kan vertrouwen, en te meer nog, omdat er 
omtrent den tekst zelven der Peshittho niets zekers bekend 
is, doet men ’t veiligst, bij de vaststelling van den tekst 
des N. T. de Syrische vertalingen buiten rekening te 
laten. De Syrische bijbelvertaling heeft eene geschie¬ 
denis gehad; de vaststelling van den tekst valt mis¬ 
schien eerst in de 8 e eeuw. Als getuige voor den tekst 
der 2® eeuw heeft de vermelding der lezingen nóch van 
Cureton, nóch van Schaaf veel waarde. Eerst dan ver¬ 
krijgt die vermelding beteekenis, wanneer men, evenals 
van de Itala, de lezingen der verschillende handschrif¬ 
ten mededeelt. 


Digitized by 


Google 



LITTERATUUR. 


Remains of [a very antient recension of the four Gos¬ 
pels in Syriac, edited by William Cureton, Lon- 
don, 1858. 

Hierbij behoort: Fragments of the Curetonian Gospels, 
edited by W. Wright, only one hunderd copies 
printed for private circulation, London, Gilbert and 
Rivington. Zie ook: Monatsbericht der Königlich 
Preussischen Akademie der Wissenschaften zu Ber- 
lin, July, 1872, p. 557. 

J. R. Crowfoot, Fragmenta Evangelica, quae a Gul. 
Curetone vulgata sunt, Graece reddita, etc., London, 
1870, met „Observations”, 1872. 

Chr. Hermansen, theol. prof. ord. Disputatio de 
codice evangeliorum Syriaco, a Curetone typis de- 
scripto, Hauniae, 1859. 

L’Abbé le Hir, Étude sur une ancienne Yersion Sy- 
riaque des Evangiles, Paris, 1859*). 

Novum Testamentum Syriacum, cum versione Latina, 

1) Te laat kreeg ik kennis van het bestaan dezer studie, om mjj met 

haar bekend te maken. 


Digitized by AaOOQle 



70 

ed. Joh. Leusden et Carolus Schaaf, Lugd. 
Bat. 1717. 

NovumTestamentumSyriace, ed. Aeg. Gutbier,Ham¬ 
burg, 1664, met lexicon, grammatica, noten en ver¬ 
schil van lezing der Hss. 

Gregorii Barhebraei Horreum Mysteriorum, ed. Frid. 

Ferd. Larsow, Lipsiae, 1858 ] ). 

Historia compendiosa Dynastiarum, authore Gregorio 
Abul-Pharajio, ed. Pococke, Oxoniae, 1663. 
Gregorii Abul-pharagii, sive Bar-Hebraei Chronicon Sy- 
riacum, ed. Bruns et Kirsch, Lipsiae, 1789. 
Abbeloos en Lamy, Chronicon Ecclesiasticum, Lo- 
vanii, 1872—1877 (zie noot bl. 6). 

Bibliotheca Orientalis door Assemani, 3 deelen in 
4 stukken. 

Jacobi Episcopi Edesseni epistola (zie bl. 11, noot). 

J. G. C. Adler, Novi Te3t. versiones Syr. simplex, 
Philox. et Hierosolymitana, Hafniae, 1789. 

The Homilies of Aphraates, ed. by W. Wright, Lon- 
don, 1869 1 2 ). 

Anecdota Syriaca, ed. J. P. N. Land, Lugd. Bat. 1868, 
deel II en deel IV, tab. B. Het geheel bestaat uit 
4 deelen. 

Antient Syriac Documents, ed. C ure ton, London, 1864. 
Dr. Phillips, the Doctrine of Addai, London, 1876. 

Catalogue of Syriac Manuscripts in the Britisch Museum 
• by W. Wright, London 1870, ’71 en ’72in 3deelen. 


1) Hiervan verscheen slechts ééne aflevering, waarmede deze nette 
uitgave gestaakt is. 

2) Slechts het eerste verscheen. Het tweede, dat de vertaling zou 
bevatten, is nog niet in ’t licht gekomen. 


Digitized by AaOOQle 



71 


Horae Syriacae, auctore Nic. Wiseman,Romae, 1828. 

De Novi Testamenti Yersione Syriaca antiqua, quam 
Peschitho vocant, scripsit Joannes Wichelhaus, 
Halis, 1850. 

Meletemata Peschitthoniana, dissertatio inauguralis, 
auctore Jos. Perles, Vratislaviae, 1859. 

De Novo Testamento ad versionum- orientalium fidem 
edendo, scripsit A. P. de Lagarde, Berolini, 1857. 

Die Edessenische Abgar-Sage, kritisch untersicht von 
R. A. Lipsius, Braumschweig, 1880. 

De Charklensi Novi Testamenti translatione Syriaca 
commentatio, scripsit G. H. Bernstein, Vratisla- 
viae, 1887. 

Syriac Literature. The acts of Addi, in „the Journal 
of Sacred Literature and Biblical Record, July, 1858, 
een opstel van B. H. C.[owper]. 

K. W. M. Montijn, De oorspronkelijke schrijfwijze en 
beteekenis van den naam , in de Godg. Bij¬ 

dragen, 1862. 

Daartegenover: J. P. N. Land, Nog iets over den naam 
Peshitthó der oudste Syrische Bijbelverta¬ 

ling, in de Godg. Bijdragen, 1862. 

1’Abbé Martin, Jacques d’Edesse et les Yoyelles 
Syriennes, in ’t Journal Asiatique, 6 me Série , Tomé 
Xin, 1869, pag. 447 sqq. 

1’Abbé Martin, Tradition Karkaphienne ou la Mas-’ 
sore chez les Syriens, in ’t Journal Asiatique, 6 m ® 
Série, Tomé XIV, 1868, page 245 sqq. 

Dr. H. Gildemeister, een opstel over ’t opschrift boven 
Matthaeus in de Curetonsche evangeliën, in het Zeit- 


Digitized by 


Google 



72 

schrift der Deutsche Morgenl. Gesellschaft XHI, S. 
472 folg. 

Prolegomena in Hexapla Origenis, door Field, 1875, 
pag. LXXVil sqq. 

Repertorium fflr bibl. u. Oriënt. Literatur, XV, S. 
168 folg. 

Eindelijk: de verschillende Inleidingen in O. en N, 
Testament. 


Digitized by 


Google 



STELLINGEN. 


Digitized by 


Google 



Digitized by 



STELLINGEN. 


I. 


De vaststelling van den tekst der Peshittho kan met 
zekerheid niet vroeger dan in de achtste eeuw na Chris¬ 
tus gesteld worden. 


n. 


Cureton’s Evangeliën-fragmenten vertegenwoordigen 
eene recensie van den tekst des Nieuwen Testaments, 
die door later aangebrachte veranderingen verdrongen is. 


m. 


Ten opzichte van den tekst des N. T. leeren Cureton’s 
Evangeliën, dat de lezing in de oude Syrische kerk 
waarschjjnljjk het meest met codex D overeenkwam. 


Digitized by v^ooQle 



76 


IV. 

De vermelding der afwijkingen van de Syrische ver¬ 
talingen, in de uitgave des N. T. door Tischendorf, 
verdient geen vertrouwen. 


V. 

De Syrische vertaling des N. T. moet, bij de vast¬ 
stelling van den tekst, voorloopig buiten rekening blijven. 


VL 


Jezaia I : 7 leze men: o’*lD n3Snp3 i. p. v. rOSnpS 
D**V ; en in vs. 9 moet t2J7ö3 geschrapt worden, als een 

invoegsel, dat aan den nationalen trots der Schriftge¬ 
leerden zijn ontstaan te danken heeft (verg. Rom. IX: 29). 

VIL 

Jezaia XLIX: 18 leze men: '*733 i.p. v. nb33 en vs. 
24 py i. p. v. pï. 


vm. 

Jezaia LI: 16 leze men: nfcttS i. p. v. LIV : 9 

’Ö*3 i. p. v. ’P"’3; LX: 21 "IV3 i. p. v. "IYJ en LXV: 5 
nSy i. p. v. nW 

rr X T *• 


Digitized by <^.ooQLe 



77 


IX. 

De uitdrukking rVgWT'San in den Talmud mag niet 
vertaald worden: „het lijden van den Messias”, maar 
beteekent: „de weeën, die aan de komst van den Mes¬ 
sias voorafgaan”. 


X. 

Er is geen twijfel aan, of de conjecturaal-critiek moet 
ook op het N. T. toegepast worden. 

XI. 

Men late Luk. XVI: 21, r* xutoü wegvallen en 
leze xititetxov i. p. V. èvb.eixcv. 


xn. 


Men verzwakt de beteekenis van het woord vltns in 
Rom. XIV: 23, wanneer men de uitdrukking in vitreus 
gelijk stelt met Ik tweihiteus. 

xm. 

Alle groote godsdienstige bewegingen zijn ontstaan 
uit de behoefte aan een’ beteren weg om tot God te 
komen en met Hem gemeenschap te oefenen. 

XIV. 

De eenzijdigheid der transcendente voorstelling van 
’t wezen Gods bij de Semieten bereikte haar toppunt 
in het fatalistisch Deïsme van den Kor&n. 


Digitized by AaOOQle 



IS 


XV. 

De inwendige toestand der Christelijke kerk in het 
Oosten was in de dagen der opkomst van den Islèm 
zóó bedorven, dat men daaruit reeds voldoende den 
grooten aanwas van het getal der Moslims kan ver- 
verklaren. 


XVI. 

Ten onrechte zegt de Bussy, Ethisch Idealisme, bl. 5: 
„De moderne richting onderscheidt zich als anthropolo- 
gische of psychologische van de orthodoxe als theolo¬ 
gische”. 


xvn. 

Het wezen der orthodoxie ligt in het geloof aan de 
realiteit der vleeschwording van den Logos. 


xvm. 


De waarde van de leer der uitverkiezing moet hoofd¬ 
zakelijk gezocht worden in haren godsdienstigen inhoud, 
welke deze i3: dat daarin de leer der persoonlijke ge¬ 
nade is uitgedrukt. 

XIX. 

Het geweten is de zedelijke zelfbeoordeeling des 
menschen. 


Digitized by v^ooQle 



79 


XX. 


Den christelrjken prediker is ’t onwaardig, de stof 
zgner leerrede aan andere geschriften dan den Bjjbel 
te ontkenen. 


Digitized by <^.ooQLe 



Digitized by 


Google 




bladz. 1 staat reg. 4 v. b. Ephraëm Syrus, lees: Ephraëm den Syriër. 

* * * » 8 v. o. Ephraïm, lees: Ephraëm. 

» 7 (noot) staat onzz, lees: onze. 

» 10 staat reg. 12 v.b. toch toch, lees: toch. J 

» 20 » » 6 v. b. Matth. 1: 23 enz. Dit voorbeeld moet inge¬ 

voegd worden blz. 20, reg. 2 v. o., vóór Matth. XIX ? 8. 
Men leze dan: (pif ^ ó êeóc) i. p. v. 

» 38 » reg. 10 en 11 v. o., aan de 17, 18, lees: aan de vss. 17,18. 

*44 » » 10 v. o., Joh. I : 40, lees: een plaats als Matth. 

XXVII: 46 enz. 


Digitized by v^ooQle 




Digitized by 


Google 



Digitized by 


Google 



Digitized by <^.ooQLe